Het palliatief forfait is een financiële tegemoetkoming voor medicatie, verzorgingsmateriaal en hulpmiddelen die nodig zijn voor palliatieve zorg thuis. Het forfait bestaat sinds 1999, bedraagt momenteel 850,51 euro en kan één keer worden hernieuwd. Uit de cijfers die Van Hoof opvroeg bij Minister Vandenbroucke, blijkt dat het gebruik ervan toeneemt: waar in 2020 nog 32.125 aanvragen werden geregistreerd, liep dat aantal in 2024 op tot 34.543, een stijging van 7,5%.
Van Hoof verwelkomt die evolutie, maar wijst tegelijk op een belangrijk knelpunt: “We zien dat bijna één op drie patiënten overlijdt binnen de maand na de aanvraag van het eerste forfait, en ongeveer 42% binnen twee maanden. Dat betekent dat velen pas in de allerlaatste fase financiële ondersteuning krijgen, terwijl de zorgnoden al veel eerder aanwezig zijn.” Volgens haar leidt dat ertoe dat thuiszorg vaak financieel onhaalbaar wordt, onder meer door de hoge kosten van medicatie en hulpmiddelen zoals aangepaste beddan. “Vandaag overlijdt in België slechts één op vier mensen thuis. Als we dat willen verbeteren, moeten we het forfait vroeger toegankelijk maken.”
Levensverwachting moeilijk in te schatten
Momenteel hebben patiënten pas recht op het palliatief forfait wanneer hun levensverwachting minder dan drie maanden bedraagt. Volgens Van Hoof is dat criterium problematisch: “Voor artsen is het immers zeer moeilijk om die termijn exact in te schatten, waardoor aanvragen vaak te laat gebeuren.” De cijfers die Van Hoof opvroeg bevestigen die onzekerheid: ongeveer de helft van de patiënten overlijdt binnen de drie maanden na toekenning, terwijl zo’n 30% nog langer dan 9 maanden leeft.
Daarom stelde Van Hoof een wetsvoorstel op om de termijn te verlengen tot één jaar. “Op die manier krijgen mensen de kans om hun zorgtraject beter te organiseren en hoeven ze niet te wachten tot het allerlaatste moment om ondersteuning te krijgen. Zo vermijden we dat patiënten noodgedwongen hun laatste levensfase in het ziekenhuis doorbrengen. Elke extra dag thuis is van onschatbare waarde.”
Op langere termijn pleit Van Hoof ervoor om het criterium van levensverwachting volledig los te laten en te vervangen door een beoordeling op basis van de zorgnoden van de patiënt. “Dat is het meest logische uitgangspunt. Helaas ontbreekt vandaag nog een objectief, wetenschappelijk instrument om die noden correct in kaart te brengen. Maar dat mag geen reden zijn om noodzakelijke verbeteringen uit te stellen,” besluit ze.
Onderschatting
Uit de cijfers Van Minister Vandenbroucke, blijkt tenslotte dat de uitgaven van het palliatief forfait vaak worden onderschat. In 2020, 2021 en 2023 lagen de werkelijke uitgaven hoger dan de begrotingsdoelstelling. Voor 2024 liggen de 27.6 miljoen euro die werden uitgegeven voor het palliatief forfait dan weer zeer dicht bij de 27.7 miljoen euro die in de begroting voorzien was. Enkel in 2022 lagen de uitgaven 1.9 miljoen euro lager dan werd begroot.

BronHilde fileert
Kerninschatting
De basis van het bericht klopt: het palliatief forfait bestaat, bedraagt sinds 1 januari 2026 850,51 euro, kan eenmaal worden vernieuwd en blijft gekoppeld aan een geschatte levensverwachting van minder dan drie maanden. De opvallende nieuwe cijferclaims over aanvragen, overlijdensmomenten en begrotingen zijn echter niet publiek verifieerbaar terug te vinden in het geraadpleegde Kamer- en RIZIV-materiaal.
Wat het forfait precies is
Bevestigd.
De ziekteverzekering voorziet sinds 1999 een forfait voor palliatieve thuispatiënten, bedoeld voor onder meer geneesmiddelen, verzorgingsmateriaal en hulpmiddelen. Het bedrag is vanaf 1 januari 2026 inderdaad 850,51 euro en het forfait is eenmaal hernieuwbaar. Het is geen terugbetaling van elk afzonderlijk product, maar een vrij besteedbare forfaitaire tegemoetkoming die rechtstreeks aan de patiënt wordt uitbetaald.
Het Kamer-wetsvoorstel van Els Van Hoof beschrijft dit op dezelfde manier en verwijst daarvoor naar RIZIV-tarieven. (dekamer.be)
Voorwaarde van minder dan drie maanden
Bevestigd, met belangrijke nuance.
Voor het palliatief forfait geldt nog steeds dat de patiënt volgens de huisarts een slechte prognose heeft, met een levensverwachting van meer dan 24 uur maar minder dan drie maanden. Het bericht formuleert dit dus in essentie juist. (dekamer.be)
Dat is evenwel niet hetzelfde als de algemene wettelijke definitie van palliatieve zorg. Die werd in 2016 verruimd: palliatieve zorg kan al vroeger starten en is niet meer wettelijk beperkt tot de laatste drie levensmaanden.
Sinds het KB van 21 oktober 2018 wordt voor identificatie ook gewerkt met PICT-1, dat kijkt of de arts verrast zou zijn indien de patiënt binnen zes tot twaalf maanden overlijdt. Alleen zijn de financiële rechten, waaronder het forfait, nog niet uniform aan die ruimere identificatie gekoppeld. (dekamer.be)
“Bijna één op drie” binnen een maand overleden
Niet bevestigd met publiek beschikbare informatie.
Het persbericht noemt circa 30 procent overlijdens binnen dertig dagen, circa 42 procent binnen zestig dagen, de helft binnen drie maanden en circa 30 procent die langer dan negen maanden leeft. Die cijfers zouden volgens het bericht uit een antwoord van de minister komen, maar dat concrete parlementaire antwoord of een RIZIV-dataset met deze jaargangen was niet terug te vinden.
Er bestaat wel een RIZIV-registratiedefinitie die precies onderscheid maakt tussen overlijden binnen 30 dagen, tussen dag 31 en 60 en tussen dag 61 en 90 na de eerste aanvraag. De opgegeven percentages zijn dus technisch plausibel als soort meting, maar zonder de onderliggende tabel, periode en noemer kan hun juistheid niet worden gecontroleerd.
Historisch is er wel een vergelijkbaar signaal: voor 2015 meldde de Kamer dat 55 procent van de aanvragers binnen zestig dagen na een eerste aanvraag overleed. Dat bevestigt niet automatisch de nieuwe percentages. (webappsa.riziv-inami.fgov.be)
Aantal aanvragen: 32.125 naar 34.543
Niet bevestigd met publiek beschikbare informatie.
Rekenkundig is de aangehaalde stijging correct: van 32.125 in 2020 naar 34.543 in 2024 is ongeveer 7,5 procent. Maar de brongegevens zelf werden niet publiek aangetroffen.
Bovendien is “aanvragen” niet vanzelf identiek aan unieke patiënten of aan uitbetaalde eerste forfaits: een forfait kan eenmaal vernieuwd worden. Zonder RIZIV-tabel of ministerieel antwoord blijft ook onduidelijk welke registratie-eenheid precies werd geteld.
Slechts één op vier Belgen overlijdt thuis
Grotendeels juist als grove orde, maar te breed geformuleerd.
De meest recente publiek beschikbare KCE-gezondheidsindicator waarnaar hier kan worden verwezen, gaat over terminale kankerpatiënten in 2020: 28,6 procent stierf thuis; samen met woonzorgcentra stierf 31,7 procent in de gebruikelijke verblijfplaats.
Dat ligt in de buurt van “één op vier”, maar het is geen cijfer voor alle overlijdens in België en evenmin een maat voor de wens van de patiënt. Het KCE waarschuwt uitdrukkelijk dat thuis overlijden niet voor iedereen de gewenste uitkomst is. (gezondbelgie.be)
Wetsvoorstel tot één jaar en nood aan een meetinstrument
Bevestigd, met nuance.
Van Hoof diende op 23 maart 2026 effectief een wetsvoorstel in om de grens voor het forfait van drie maanden naar één jaar te brengen. Het voorstel stond bij de geraadpleegde Kamerfiche nog als hangend geregistreerd; het is dus geen geldend recht. (dekamer.be)
Ook de stelling dat een volledig noden-gebaseerd systeem nog geen af instrument heeft, sluit aan bij het KCE-traject: er is nog geen uniforme palliatieve status en het KCE wijst op de nood aan een wetenschappelijk onderbouwd Belgisch instrument om zorgnoden te categoriseren.
Dat betekent niet dat er helemaal geen hulpmiddelen bestaan: PICT-1 bestaat al voor vroegere identificatie, maar is niet hetzelfde als een gevalideerd instrument dat financiële rechten gedifferentieerd toekent. (dekamer.be)
Online bronnen
BronHilde is een AI-analyse. Mijn ingebouwde modelkennis kan achterlopen op recente ontwikkelingen. Voor actuele of tijdsgevoelige beweringen raadpleeg ik online bronnen; als recente betrouwbare bevestiging ontbreekt, hoort dat in de analyse te staan.
Bekijk in het forum