Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

Gods filosofen


Gods filosofen De middeleeuwen hebben een uiterst belangrijke bijdrage geleverd aan onze moderne tijd, technologisch, wetenschappelijk en ook filosofisch. Door de historische feiten te laten spreken, verdedigt wetenschapshistoricus James Hannam deze controversiële stelling met verve. Ook verduidelijkt hij hoe het komt dat de moderne mens deze tijd beschouwt als een intellectueel duistere periode. Om tot deze conclusies te komen, is wel een inleving vereist in de middeleeuwse periode. Toen werden de eerste universiteiten opgericht niet ondanks maar net dankzij de Kerk. Tegelijk stelde diezelfde Kerk ook beperkingen op het denken, dat zowel vruchtbare resultaten opleverde maar soms ook tot vervolging leidde. En men dacht allerminst dat de aarde plat was.

De vroege middeleeuwen

De zoektocht naar kennis was wel problematisch in de vroege middeleeuwen. Aan het einde van het Romeinse Rijk (°476) moet het al duidelijk geweest zijn dat de belangrijkste kennis verloren dreigde te gaan. Deze kennis was namelijk in het Grieks geschreven, een taal die tijdens de Romeinse hoogdagen nog door alle intellectuelen vlot werd gesproken. Boëthius (480-525) was één van de laatste Romeinse intellectuelen met een goede Griekse kennis. Om de toekomstige generaties te behoeden van een intellectuele duisternis vertaalde hij verschillende Griekse werken. Hij werd echter vroegtijdig ter dood veroordeeld, waardoor hij wel tijd kreeg om in de kerker zijn magnum opus te schrijven, namelijk “De vertroosting van de filosofie”.

De vroegmiddeleeuwse periode stond mede door het werk van Boëthius in het spirituele licht van Plato. Het feit dat de leer van Augustinus (354-430) Plato heeft kunnen verzoenen met de Christelijke leer, zoals in Augustinus’ boek ‘De Stad van God’, heeft daar nog extra aan bijgedragen. Vandaar dat de vroege middeleeuwen in de schaduw van de idealistische Plato stond, met plaats voor onder andere sterrenkunde en wiskunde. Deze eerste filosofische monniken hun honger naar kennis was zeer groot, ondanks de gebrekkige Griekse bronnen in hun bezit. Dat kwam bijvoorbeeld tot uiting toen logicus en theoloog Abélard (1079 - 1142) in de wildernis in isolatie wilde leven: hij werd achtervolgd door “een luidruchtige horde studenten die zijn lessen wilde volgen”.

Over Abélard besluit het boek dat hij een interessant maar zeer moeilijke mens was. Gezien zijn loopbaan in pieken en dalen had hij zowel machtige vrienden als vijanden. Zijn leven kan symbool staan voor een Kerk die intellectuele ontwikkeling wilde steunen binnen vooropgestelde dogma’s, maar zich ineens geconfronteerd zag met moeilijke karakters en gewaagde stellingen, en daar geen pasklaar antwoord op had. Sommige katholieken zagen dit als een doos van Pandora en riepen ketterij, maar anderen begrepen dat deze bron te koesteren was. Deze laatsten trokken meestal aan het langste eindje, maar de eersten worden tot op de dag van vandaag het beste herinnerd. Lees over Abélards hartstocht in ‘De briefwisseling met Héloïse’, over zijn turbulente leven in de autobiografie ‘Het verhaal van mijn rampen’.

De late middeleeuwen

Tijdens de late middeleeuwen was niet meer Plato maar het realisme van Aristoteles de belangrijkste leidraad. Hieraan heeft vooral Thomas van Aquino (1225 - 1274) bijgedragen, die door Aristoteles te verbinden aan de Christelijke leer het onderzoek van de natuur respectabel maakte, als tweede pijler om tot kennis van God te komen, en een stap verder dan onder Plato’s inspiratie mogelijk was. De eerste pijler van het Christendom is natuurlijk de Bijbel, die dan ook niet altijd letterlijk mag worden geïnterpreteerd, aldus Aquino. Griekse kennis was dus niet meer noodzakelijk ketters, zeker niet nadat Aquino en vele andere Kerkelijke denkers heilig verklaard werden. Dit maakte de weg vrij naar onderzoek naar de natuur als zoektocht naar meer kennis over God.

Aristoteles’ teleologische kennisleer had echter een belangrijk probleem, dat een moderne wetenschappelijke interpretatie in de weg stond. Mijn persoonlijke uitleg hiervan is de volgende: het doel en de vorm van een object was volgens Aristoteles belangrijker dan de aard ervan. Zo was het interessantste van een houten stoel de ‘stoelheid’ ervan. Maar hierdoor ontstaat een blinde vlek, want als de houten stoel in het fysische proces van branden komt is dat omwille van de vergeten eigenschap van ‘houtheid’. Een Aristotelicus zal dus wel zitten op een stoel en de functie ervan begrijpen, maar hem nooit in brand steken om ‘vuur’ beter te begrijpen. Dergelijke halfblindheid heeft lange tijd alle denken beheerst, wat vooral in de natuurfilosofie een dwaalspoor was (minder in het ethisch denken). Dit uitte zich zoal in de middeleeuwse geneeskunde, om een voorbeeld uit dit boek te nemen: een okkernoot zou een persoon met een hersenziekte kunnen helpen omdat de okkernoot op hersenen lijkt. In de late Middeleeuwen groeiden de kritieken op Aristoteles, zonder respect voor deze denker te verliezen, wat de geesten opende naar een meer wetenschappelijke visie – en die conclusie is één van de centrale elementen van dit boek.

Een korte passage van het boek gaat over Paracelsus (1493 - 1541), maar zonder zijn bijdragen aan de geneeskunde en de chemie te vermelden. Van hem komt het nog steeds belangrijke toxicologische inzicht via het volgende citaat: “Alles is gif en niets is gif, het verschil schuilt in de dosering.” In Duitsland wordt tot vandaag zelfs jaarlijks een Paracelsus-medaille uitgereikt, als hoogste medische onderscheiding. Maar niets daarover in dit boek, waarin het lijkt alsof Paracelsus, net als de overgrote meerderheid geneeskundigen van zijn tijd, enkel maar een geleerde kwakzalver zou zijn geweest, wiens medicijnen erger zijn dan het kwaad. Is dit het gevolg van een onnauwkeurige schrapping, of heeft Hannam redenen om Paracelsus niet belangrijk genoeg te vinden? Een hiaat in het boek, dat echter niets afdoet aan de eindconclusies.

De erfenis van de Middeleeuwen

De periode die we vandaag de renaissance noemen was volgens de schrijver een werkelijke intellectuele verduistering tegenover de Middeleeuwen: toen werd een leugen geboren. Tijdens de Middeleeuwen zou er niets interessants zijn geschreven, enkel Griekse kennis zou enige waarde hebben. Hierdoor werd de focus terug verlegd naar voornamelijk Aristoteles, waarbij de belangrijke middeleeuwse kritiekpunten vergeten werden. Moest de boekdrukkunst tijdens de Middeleeuwen niet zijn uitgevonden, zouden vele belangrijke middeleeuwse werken verloren zijn gegaan: vele universiteiten, waaronder ook Oxford, ontdeden zich van grote secties middeleeuws-filosofische werken.

Gelukkig werkten toch enkele denkers verder op de middeleeuwse literatuur - we kunnen nog steeds niet spreken over echte wetenschappers. Deze stonden dan ook met vallen en opstaan aan de basis van de eerste echte wetenschappelijke denken. We kennen hen dan ook onder de klinkende namen: Nicolaas Copernicus (1473-1543), Tycho Brahe (1546-1601), Johannes Kepler (1571 - 1630), Gallileo Gallilei (1564 - 1642). In de tijd van Copernicus kreeg de hypothese dat de aarde rond de zon draaide maar weinig bijval. Dit was in die tijd echter zeker intellectueel verantwoord, want omdat de sterrenhemel onbeweeglijk leek, was het zeer onlogisch dat de aarde zou bewegen. Een waarnemer op een beweeglijke aarde zou de sterren zien bewegen, zo was de middeleeuwse redenering. Sterren liggen echter op immens grote afstanden van het zonnestelsel, nog veel verder dan toen zelfs in de stoutste speculaties werd gedacht, zodat de aardse beweging onmogelijk waar te nemen was. Inhoudelijke kritiek op Copernicus was dus zeer begrijpelijk.

Het werk van Copernicus werd voorgesteld als een hypothese, Gallilei daarentegen deed dat niet. Hij werd door de inquisitie veroordeeld tot ketterij, één van de misdaden die vandaag de dag de Kerk het meest wordt aangewreven. Hannam nuanceert dit als een in de eerste plaats politieke veroordeling, dat begrepen moet worden in de tijdsgeest. Galilei bleek een moeilijk figuur te zijn en werd na de veroordeling niet belemmerd om nog een meesterwerk uit te geven - namelijk ‘Gesprekken over twee nieuwe wetenschappen’. De veroordeling van Gallilei was dan wel vanuit hedendaags standpunt verkeerd, maar stond zeker niet gelijk aan een volledige karaktermoord.

Toen kwam de technologie een handje toesteken. De Middeleeuwen was namelijk een periode waarbinnen zeer belangrijke technologische vooruitgang is gerealiseerd, ongeëvenaard door zowel Griekse en Romeinse periodes, ongeëvenaard ook door Chinese of Islamitische cultuur. De ploeg, de stijgbeugel, de kruisboog, het buskruit, zoals we al zagen de boekdrukkunst, de mechanische klok, de bril, enzovoort, extreem belangrijke uitvindingen of technologische verbeteringen waarvan de namen van de uitvinders amper of niet gekend zijn. Misschien het belangrijkst voor de opgang van de wetenschap was de lens. Filosofen en intellectuelen maakten traditioneel hun handen maar weinig vuil aan experimenten: ook al volgens de Griekse filosofen was iedere soort van ambacht beneden de waardigheid van intellectuelen. Het was Roger Bacon (1214 – 1292) die als eerste het idee van een telescoop opperde, waarbij zijn respect voor de ambacht een grote rol speelde. En het was als eerste Brahe die de telescoop gebruikte om met nieuwe en gewaagde hypotheses naar boven te komen. Maar hun werk was niet mogelijk geweest zonder de intellectuele voorbereiding tijdens de 13° eeuw, volgens de schrijver een echte renaissance. Dit waren figuren zoals Merton (1200 - 1277), oprichter van het nog steeds prestigieuze Merton College in Oxford, Oresme (1325 - 1382), Buridanus (1300 - 1358), en vele anderen. Uit hun werk kunnen we al voorbereidselen zien tot wetenschappelijk zeer belangrijke concepten als ‘impuls’, ‘integraal’, ‘vacuüm’, ‘rotatie van de Aarde’, ‘Atomen’, ‘valversnelling’, … De twee grote fundamenten van het hedendaags wetenschappelijk denken en hun fusie hebben dus de wortels in de Middeleeuwen: theoretische hypothesen en empirische experimenten.

Besluit

Bertrand Russell merkte eens op dat de Griekse filosofie totaal zou zijn vergeten indien Griekenland ooit door Perzië zou zijn veroverd. Dit deed hij in zijn overschatte - maar hier en daar toch interessante - boek ‘Geschiedenis van de westerse filosofie’. Alle verwijzingen naar niet-Perzische wijsheden zouden zijn vernietigd. In de plaats hiervan werd Griekenland veroverd door de Romeinen, die de Griekse cultuur bewaarden, zonder ze echter met hun bijdragen te overstijgen. Deze rol werd later door het Byzantijnse en Islamitische rijk voortgezet. Maar het waren dus, volgens Hannam althans, de relatief onwetende Westerse Middeleeuwers die het Griekse werk durfden voortzetten door kritisch genoeg erop verder te werken en zo de geboorte van de echte wetenschap mogelijk te maken. Hierin speelde de middeleeuwse Kerk een belangrijke en overwegend positieve rol, de behoudsgezindheid en soms wrede vervolgingen van ketters daargelaten. Anderzijds waren het de eerste Humanisten die de leugen van achterlijke Middeleeuwen hebben geïntroduceerd, een leugen die tot op de dag van vandaag onze historische visie vertroebelt. Met de huidige grote kritieken op de Rooms-katholieke Kerk is dit boek dus een zeer belangrijke kanttekening met hedendaagse relevantie.

Onder welke omstandigheden is de mens op zijn creatiefst? Dat is een andere belangrijke existentiële vraag waarbij volgens mij dit boek een antwoord kan helpen bieden. Het was niet onder het centraal bewind van de Romeinen of de Chinezen, maar wel de chaos en de fragmentering van zowel de Griekse als de middeleeuwse tijden die zowel technologie als filosofie en wetenschap tot steeds hogere niveaus mogelijk maakte. De concurrentie tussen verschillende gebieden en gebiedjes, die toch behoorden tot dezelfde metacultuur, brachten de juiste randvoorwaarden. De renaissance was een periode van sterkere en centralistische staten met meer en niet minder religieuze intolerantie, Hannam geeft aanwijzingen dat dit ook op het denken een negatieve invloed had. Maar hierna kwam er terug een periode van concurrentie tussen en binnen de verschillende Europese staten: gekenmerkt door oorlogen, maar gelukkig ook mogelijkheden tot intellectuele overstijging.

“Gods filosofen” is een vlot geschreven boek met kwaliteiten die ik zelfs niet alle in deze lange bespreking kan toelichten. Een absolute aanrader.

Door Rob Lemeire (toegevoegd op 12/11/2010)

Stuur dit artikel naar een vriend - Stuur dit artikel naar een vriend(in)

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons