Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

Politieke ideologieën in Vlaanderen


Politieke ideologieën in Vlaanderen Politiek is de centrale verkeerstoren die het maatschappelijk verkeer regelt, volgens Luk Sanders en Carl Devos, respectievelijk docent aan de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven en aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent, de auteurs van het boek ‘Politieke ideologieën in Vlaanderen’. Er zijn veel motieven en argumenten die de politiek sturen. Ook ideologieën vormen een belangrijke inspiratiebron wat dat betreft. Ze duiken voortdurend op in het publieke discours, genre ‘de Tobintaks is een socialistische maatregel’ of ‘liberale accenten in het IPA en het herstelplan’. Tot hun grote verbazing stelden de auteurs vast dat er in Vlaanderen nooit eerder een werk verscheen, dat een grondige kennismaking met ‘politieke ideologieën’ en hoe die hun stempel drukten op de Belgische en vooral Vlaamse samenleving uitschreef. Tegenwoordig lijkt het begrip ‘ideologie’ wat uitgehold en schijnbaar niet veel meer dan een verzameling ‘leuke ideetjes’. Voor de kennismaking met de politieke ideologieën in Vlaanderen, deden de auteurs een beroep op coauteurs die een grondige kennis hebben van een bepaalde ideologie. Hoewel ze ook politiek geëngageerden opnamen in het select groepje van coauteurs, mag je stellen dat de hoofdauteurs geslaagd zijn in hun nastreven van onpartijdigheid en kritische reflectie. Maar zoals ze tegelijk stelden, moet je volstrekte objectiviteit naast je neerleggen als een illusie van een achterhaald sciëntisme. Het 476 bladzijden tellend boek is vooral een inleiding van de politieke ideologieën in Vlaanderen.

Het boek vat aan met een inleidend essay van Luk Sanders, waarbij de auteur ingaat op de grillige evolutie die het begrip ‘ideologie’ gedurende meer dan twee eeuwen onderging en hoe het zijn weg zocht en vond in Vlaanderen. De essayist is daarbij bijzonder pessimistisch over het belang van de ideologieën. Hij verwijst naar de ‘Witte Mars’ en de opkomst van de ‘Witte Partij’ van Paul Marchal als toonbeeld van ideologisch lege partijen. Hij stelt zich de vraag of politiek zonder ideologie wel denkbaar is. In zijn slotbeschouwing van de inleiding komt hij hierop terug en herinnert er aan dat Paul Marchals ‘Partij voor Nieuwe Politiek’ roemloos ten onder ging. Het toont aan dat aan politiek doen met een blanco mening, met een witte, neutrale visie onmogelijk is. In een kerndefinitie bepaald Sanders ‘ideologie’ als ‘een geheel van ideeën’, dat de basis vormt voor georganiseerde politieke actie.

Na het inleidend essay worden de politieke ideologieën in vijf hoofdstukken voorgesteld: liberalisme, socialisme, christendemocratie, Vlaams-nationalisme en ecologisme. Patrick Stouthuysen breekt de spits af met zijn werk over het liberalisme, de eerste politieke partij in België. De hoogleraar Politieke Wetenschappen aan de VUB slaagt erin de kern van het liberalisme duidelijk te maken en te ontdoen van de vooroordelen ten opzichte van de ideologie. Hij opent met de stelling dat er een ‘liberale paradox’ bestaat, in die zin dat het belangrijkste strijdpunt van het liberalisme - de overtuiging dat vrije markt en democratie de beste garantie vormen voor de individuele vrijheid - niet meer gecontesteerd worden door rivaliserende ideologieën, maar zich vandaag haast overal in een minderheidspositie bevinden. Daarna gaat hij in op de wortels van de liberale ideeën in het Ancien Régime: in het Verlichtingsdenken, in de strijd voor godsdienstvrijheid, voor politieke en economische vrijheden. Met als kanttekening dat het verkeerd zou zijn om die Verlichtingsdenkers en bloc tot voorlopers van het liberalisme uit te roepen, zoals zowel de liberalen als hun politieke tegenstanders wel eens durven te doen. De overeenkomst tussen Verlichtingsdenken en liberalisme ligt veeleer in een aantal gedeelde strijdpunten en verzuchtingen. De belangrijkste is het streven naar een zo groot mogelijke vrijheid voor de individuen. Na een schets van de liberale ideologie, schrijft Stouthuysen een beknopte geschiedenis van het Belgisch liberalisme. Afsluitend eindigt Stouthuysen nogal pessimistisch over de toekomst van het liberalisme. De strijd der ideeën hebben ze gewonnen, zoals ook Francis Fukuyama beweerde, maar beschikt het liberalisme over genoeg diepgang en creativiteit om een hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen van het milieu, de armoede en de ongelijkheid, het vraagstuk van de maatschappelijke samenhang en het probleem van de zingeving?

Carl Devos en Tine Boucké, respectievelijk doctor en assistente aan de vakgroep Politieke Wetenschappen aan de Universiteit Gent, schreven een uitgebreid hoofdstuk over het socialisme, de ideologie op zoek naar de maakbare samenleving. De auteurs wijzen er al meteen op dat ‘het’ socialisme evenmin als de andere ideologieën die in het boek aan bod komen, een homogene politieke denkrichting zou zijn. Het is een verzamelnaam voor verschillende vormen van sociaal-politiek denken en handelen, weliswaar binnen eenzelfde benadering of ideologische familie, maar met een enorme rijkdom en verscheidenheid aan denkbeelden. ‘Het’ socialisme bestaat dus niet. In het hoofdstuk focust men onder meer op het onderscheid tussen het utopische, het revolutionaire en het reformistische socialisme. Maar voordat men de verschillende stromingen voorlegt, gaat men eerst in op de voorlopers, de gemeenschappelijke kern en de ontwikkeling van deze ‘socialismen’, waarbij men gebruik maakte van suggesties en aanvullingen van Luk Sanders. De auteurs bundelden een mooi hoofdstuk rond de ideologie op, met aandacht voor de bedenkelijke koers van de hedendaagse socialistische partij. Zeker ten aanzien van de multiculturele samenleving, waarbij socialisten de neiging hebben om minderheidsgroepen achterna te lopen en verlichtingsidealen van persoonlijke rechten uit het oog verliezen. Een moeilijke evenwichtsoefening waarop de ideologie in Vlaanderen, maar ook in de rest van Europa geen antwoord op heeft.

Het derde hoofdstuk, rond christendemocratie, wordt toegelicht door Wouter Beke, verbonden aan het Overlegcentrum voor Ethiek aan de Katholieke Universiteit Leuven. Als ondertitel gebruikt Beke: ‘Van Christelijke naar Vlaamse Volkspartij’. De troef van de christendemocratische partijen schuilt hem volgens hem ook in het feit dat het volkspartijen zijn. Ze vertegenwoordigen daarenboven niet enkel een of andere deelgroep in de samenleving, maar verschillende sociale klassen en groepen. Zowel in België als in Europa verzekerde dit hen doorgaans van een ruime deelname aan de macht. Vooral het streven naar stabiliteit, is steeds een leitmotiv geweest van de christendemocratische partijen. Na een inleiding met een beknopte geschiedenis van de partij in Vlaanderen, licht de auteur het personalisme aan als inspiratiebron voor de christendemocraten.

Bruno De Wever, hoofddocent aan de vakgroep Nieuwste Geschiedenis aan de Universiteit Gent en gespecialiseerd in de Vlaamse beweging, en Antoon Vrints, postdoctoraal onderzoeker aan dezelfde universiteit, nemen het Vlaams-nationalisme onder de loep. De auteurs beschrijven goed gestructureerd de grillige weg die het nationalisme in ons land en in Vlaanderen heeft afgelegd. ‘Nationalisten beschouwen de natie of ‘het volk’ als een primaire want ‘natuurlijke’ sociale vorm waaraan alle andere sociale verbanden ondergeschikt zijn’, aldus de auteurs. Dat is duidelijk en geeft goed aan dat het nationalisme veraf staat van de voorgaande ideologieën, die de mens niet ondergeschikt maken aan een natie, een volk en/of ras. Vlaams-nationalistische intellectuelen streefden naar een organisch maatschappijmodel als ‘alternatief voor de verbrokkelde, individualistische liberale samenleving’. Het hoeft niet te verwonderen dat ze op die manier in de eerste helft van de twintigste eeuw als vanzelf in het vaarwater kwamen van autoritaire en xenofobe denkbeelden. Zowel het Verdinaso, het VNV als Rex raakten in de collaboratie. ‘Het odium van het nazisme zou nog lang aan het nationalisme blijven kleven’, schrijven de auteurs. Wat het Vlaams Belang betreft is dat nog steeds het geval. Hun weigering om afstand te nemen van extreemrechtse organisaties en hun contacten met Holocaustontkenners is daarbij exemplarisch. Natuurlijk is er ook de democratische Vlaams-nationalistische Volksunie dat de voorbije jaren dermate succesvol was dat ze zichzelf als het ware moest opheffen. Dat kwam mede door het inbrengen van meer progressieve thema’s die weinig van doen hebben met de kernboodschap van het nationalisme. Intussen zitten zowat alle gewezen kopstukken van de voormalige Volksunie in andere partijen waar ze niet geringe impact hebben, kijk maar naar de toenemende verharding in communautaire kwesties.

Jos Geysels, Minister van Staat en gewezen politiek secretaris van Agalev (nu Groen!), en Jan Mertens, beleidsmedewerker voor Groen!, belichten tenslotte het ecologisme, de jongste stroming. Ze bieden bovendien een zeer verhelderende bespreking van de verschillen en gelijkenissen met andere ideologieën. De korte wisselende geschiedenis van de groene partij in Vlaanderen komt uiteraard ook aan de orde. In het spanningsveld tussen theorie en praktijk worden ecologische partijen gemakkelijk verdacht van ‘groen moralisme’ en te weinig realiteitszin. Gezien de omvang van structurele ecologische problemen, zo stellen Geysels en Mertens, zou de keuze voor een drastische ecologische politiek wellicht de enige realistische kunnen zijn. In elk geval heeft het ecologisme op een spectaculaire snelle manier impact gehad op het politieke denken en handelen. Zowat alle partijen hebben nu aandacht voor het milieu en de kans is groot dat die aandacht in de toekomst nog zal toenemen. Centraal staat de vraag: hoe kunnen we economie en ecologie verzoenen? Daarover zijn de auteurs duidelijk: ‘Het verdelingsvraagstuk willen oplossen uitsluitend door globaal meer te produceren (waardoor de armen rijker kunnen worden, zonder dat de rijken armer moeten worden) kan volgens ecologisten niet.’ Daarom pleiten ze voor duurzaam ondernemen en sufficiëntie, een economie van het genoeg. De auteurs schrijven dat ecologisten net zoals liberalen een sterk geloof hebben in de mogelijkheden van het individu. Geysels en Mertens geven zelf een goed voorbeeld van een ecologische modernisering die niet in strijd is met groei. ‘Milieubescherming is een motor voor groei’ en ‘wie nu kiest voor een ecologische pioniersrol zal in de toekomst de sterkste marktpositie hebben’.

Alhoewel de auteurs hun teksten (uiteraard) los van elkaar schreven zit er toch een goede structuur in het boek waardoor elk deel evenwaardig is. Opvallend is ook dat alhoewel sommige teksten geschreven werden door actieve of gewezen politici (Wouter Beke, Jos Geysels) en politiek overtuigde auteurs, ze niet in de valkuil van de propaganda zijn gelopen. De auteurs slaagden erin om weliswaar geëngageerd maar toch met voldoende distantie ‘hun’ ideologie te bespreken. Dit komt ten goede aan de inhoud van het boek waardoor het gerust kan dienen als een handleiding voor studenten en politiek geïnteresseerde burgers. Ik had alvast niet dat vervelende gevoel dat men mij wilde overtuigen van het grote eigen gelijk. Meer nog, dit boek is voor mij een ideale basis en smaakmaker om verder kennis te maken met de vele geciteerde filosofen die elk op hun manier gestalte gaven aan de boeiende strijd tussen de ideologieën die ons land rijk zijn. Een aanrader dus!

Door Stijn Cappelle (toegevoegd op 24/05/2010)

  • Auteur: Luk Sanders en Carl Devos
  • ISBN: 9789002223334
  • Pagina's: 476
  • Prijs: 24.95 EUR Bestel dit boek
  • Uitgever: Standaard Uitgeverij

Stuur dit artikel naar een vriend - Stuur dit artikel naar een vriend(in)

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons