Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

Naar Grijsland


Naar Grijsland Grijsland. Zou het een mooie plek zijn om de vertoeven? Bij de term "Grijsland" denkt haast iedereen sporadisch aan het haast idyllische beeld van een ouder koppeltje aan een bankje in het stadspark, genietend van een glaasje wijn en elkaar in de schijn van het late avondrood, terwijl de kleinkinderen de eendjes voeren.

Wee hun kleinkinderen! Zij zullen in Grijsland al snel merken dat dit land in een gevaarlijke tropische cyclonenzone ligt! De vele gevaren van Grijsland beschrijven, dat vormt dan ook het inleidende deel van De Leusí boek: Niet alleen zullen de uitgaven voor de pensioenuitkeringen sterk de hoogte in stijgen, ook de gezondheidsuitgaven zullen de komende decennia een hoge vlucht nemen. En samen met dit, zullen ook de staatsfinanciŽn kreunen onder dit overgewicht: bij huidig ongewijzigd beleid wordt er tegen 2050 een gemiddelde staatsschuld van over de 200% in BBP-termen voor de Europese Unie verwacht! Ook voor de werkgelegenheid heeft dit weinig frivole gevolgen: gezien de hogere afhankelijkheidsratio, zal de bevolking op arbeidsleeftijd de komende decennia drastisch dalen. Zo ook de productiviteit per werknemer. Deze vergrijzingmalaise zorgt ervoor dat de internationale rentetarieven gevoelig zullen stijgen (ten gevolge van de hoog oplopende begrotingskorten en staatsschulden), wat dan weer tot een ineenstuiking van de financiŽle markten kan leiden. Op langere termijn zal dan ook de economie in haar geheel forse klappen krijgen. En wie dacht nu vlug de koffers te pakken, BelgiŽ te verlaten en zo de vergrijzingvloedgolf te ontwijken, komt er bedrogen uit: Grijsland congrueert namelijk niet met de huidige Belgische staatsgrenzen. Het is een groots imperium dat zich uitstrekt van de VSA, over Europa tot Ė zij het iets later Ė China. Wel is het zo dat de Angelsaksische landen (AustraliŽ, VSA en VK) beter gewapend zijn tegen de vergrijzing. Dit komt vooral omdat pensioensparen buiten het wettelijk pensioen om er veel beter geÔntegreerd is.

Maar tegenover al deze afstormende ellende, stelt de auteur ook wel enkele remedies voor. Ook de Europese Unie moet een handje helpen om de problematiek van de vergrijzing op te vangen. Gezien de vergrijzing niet alleen louter een pensioen- of werkgelegenheidsprobleem is; maar zelfs heel onze huidige sociale welvaartsstaat noopt tot veranderingen; heeft ook Europa enkele belangrijke sleutels in handen. Vooreerst moet de EU zich terug focussen op haar core business waarvoor het in feite werd opgericht: economische samenwerking. De auteur stelt dan ook dat het een haast dramatische zaak is dat de E(M)U zich in haar protectionistische schulp terugtrekt: het stabiliteitspact (maximaal toegelaten begrotingstekort van 3% v.h. BBP en maximale staatsschuld 60%/BBP) is op aandrang van de grotere lidstaten Ė vooral Duitsland Ė overboord gegooid; de Lissabondoelstellingen om van Europa de meest competitieve economie ter wereld te maken zijn verwaterd en de Bolkesteinrichtlijn voor een vrij dienstenverkeer is na de stemming in het Europees Parlement ook niet meer wat het is geweest. Het zijn echter juist die zaken zoals vrij verkeer van diensten, zoals een meer competitiegerichte economie en zoals een gecoŲrdineerd Europees octrooirecht die Europa terug op de rails kan zetten om zo de budgettaire schok van de vergrijzing mee op te vangen.

En - het spreekt natuurlijk voor zich Ė ook onze Belgische regering(en) moet(en) dringend de nodige maatregelen treffen. Volgens het laatste rapport (mei 2005) van de Studiecommissie voor de Vergrijzing zouden de Belgische overheidsuitgaven tegen 2030 met 3,6% stijgen ten gevolge van de veroudering van de bevolking. Vooral de pensioenen zullen tegen dan zeer duur worden: maar liefst 12,3%/BBP zou er tegen die tijd aan deze uitgavenpost worden besteed. Wat kunnen bijgevolg enkele remedies zijn? Het door de overheid gewaarborgde pensioen moet alleszins worden omgevormd. Op dit moment berust ons pensioensysteem op repartitie, wat betekent dat de actieve beroepsbevolking spaart voor het pensioen van de gepensioneerden. Gezien de omkerende bevolkingspiramide is dit systeem echter langzaam zelfmoord aan het plegen. Een algehele overstap naar het kapitalisatiestelsel dan maar, waarbij iedere werknemer spaart voor zijn of haar pensioen gedurende de loopbaan? Toch ook niet meteen een echte standvastige optie, gezien de grilligheid van de financiŽle markten en de rente. Een mix tussen beiden lijkt dus optimaal Waar er wel mee dient opgepast te worden, is lukraak het mes zetten in de overheidspensioenen: volgens de auteur zou een daling van 10% van het overheidspensioen 5,2% van de 60-plussers onder de armoedegrens duwen. Het is daarom dat er dringend meer aandacht moet gaan naar de tweede pensioenpijler (bedrijfsparen) en het extralegaal pensioen (derde pijler). Wat de tweede pensioenpijler betreft, is de Wet op de Aanvullende Pensioenen (WAP) alvast een goede zet. Zij dient echter wel nog verder verfijnd te worden. Tot slot wijst De Leus er nog op dat het huidige overgenereuze pensioenstelsel voor de ambtenaren dringend aan herziening toe. Op dit moment worden de pensioenen van het overheidspersoneel nog uitgerekend op basis van een wet van 1844!

Naast de pensioenen, stelt zich voor BelgiŽ ook nog een gezondheidsuitdaging voor. In 2004 nog werden de budgetten voor het Riziv met bijna 10% opgetrokken, wat ver buiten de wettelijke 4,5%-groeinorm ligt. Een jaar later werden de gaten in de ziekteverzekering opgevuld met eenmalige maatregelen per ministerieel volmacht. Die situatie is natuurlijk onhoudbaar. In het boek wordt er dan ook voorgesteld om een alternatief vergoedingssysteem voor artsen op te stellen. Op dit moment zijn het namelijk de artsen, en niet de consument/patiŽnt, die de overheidsuitgaven bepalen. Voor het geneesmiddelenbeleid wordt ook in dit boek het kiwimodel aangeprezen. Wel mag de openbare aanbesteding alleen maar plaatsgrijpen op geneesmiddelen waarvan het patent al vervallen is, en dus ook aan concurrentie uit de generische sector onderhevig is. Dit teneinde de generische industriesector in dit land Ė goed voor 26.000 jobs Ė te vrijwaren. En ten slotte moet ook de rol van de ziekenfondsen in de uitbesteding van overheidsmiddelen herzien worden.

Ook op de Belgische arbeidsmarkt is een ommekeer van het beleid meer dan eens nodig. Het brugpensioen moet gewoonweg afgeschaft worden. Dit brengt de werkgelegenheid van de jongeren zeker niet in gevaar, gezien de werkgever de loonkost kan ďspreidenĒ over meerdere werknemers. Een pensioenmalus voor werknemers die vervroegd de arbeidsmarkt uittreden kan ook efficiŽnt werken. Ook de auteur van dit boek wijst op zeer klassieke, doch effectieve, maatregelen om de sociale zekerheid te redden: verlaging van de loonkost, vermindering van de fiscale druk en verzwakking van de typisch Belgische regelitis. Tot slot wordt erop gewezen dat om de sociale zekerheid te herfinancieren, noch een algemene sociale bijdrage (ASB), noch een verschuiving van directe naar indirecte belastingen en noch een robottaks op productie & technologie economisch heilzaam werkt.

De vraag die men bij dit alles uiteraard ook dient te stellen is of deze oplossingen wel per definitie binnen een Belgisch kader dienen opgelost te worden. De auteur wijst er namelijk op dat de jaarlijkse financiŽle transfers van Vlaanderen naar WalloniŽ een hypotheek leggen op de economie van beide landsdelen. En hoewel de vergrijzing harder in het Noorden dan in het Zuiden van dit land zal optreden, lijkt het misschien nog niet zo onverstandig afscheid te nemen van het Belgische systeem. Dit omdat tewerkstelling, productiviteit en welvaart sleutelfactoren zijn voor een geslaagde opvang van het vergrijzingsprobleem. Zaken die Vlaanderen zonder een Belgische context veel beter kan benutten.

In het allerlaatste hoofdstuk van het boek verlaat de auteur even het maatschappelijk toneel, en bestudeert hij de gevolgen van de vergrijzing op de financiŽle markten. Een zogenaamde ďasset meltdownĒ lijkt op termijn niet geheel onrealistisch: Van zodra de babyboomgeneratie (geboren tussen 1945 en 1960) op pensioen gaat, zullen zij geleidelijk aan meer ontsparen (= consumeren) danwel sparen. Dit impliceert een verkoopgolf van financiŽle activa, wat op haar beurt weer leidt tot een ineenstoring (= meltdown) van de financiŽle markten.

Alleszins is dit boek zeker een must voor al wie geÔnteresseerd is in de toekomst van het Belgische pensioen- en socialezekerheidsstelsel. Er is trouwens nog een klein extraatje voor de lezer: het voorwoord van het boek werd namelijk geschreven voor Vlaams minister-president Yves Leterme (CD&V).

De auteur van dit boek (Koen De Leus) is licentiaat handelswetenschappen en van 2004 tot januari 2006 hoofdeconoom van Uitgeversbedrijf Tijd, uitgever van De Tijd en De Belegger. Zijn medewerker (Paul Huybrechts) is journalist en was directeur van Uitgeversbedrijf Tijd van 1981 tot 2002.

Door Xavier Meulders (toegevoegd op 11/06/2006)

Stuur dit artikel naar een vriend - Stuur dit artikel naar een vriend(in)

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons