Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

SPa : Frank Vandenbroucke op het congres over onderwijsbeleid.

(28/01/2007) Wij zijn een partij van vooruitgang. Dé motor van sociale vooruitgang tijdens de vorige eeuw jaar was onderwijs: dat àlle mensen naar school gingen; dat meer en meer mensen langer en langer naar school gingen, was cruciaal. Wie van al de 45plussers hier in de zaal is niet hoger geschoold dan zijn of haar ouders? Het zullen er niet veel zijn, die niet hoger geschoold zijn dan hun ouders. De vaststelling is zo vanzelfsprekend, dat we dat de voorbije 20 jaar een beetje vergeten zijn.

Het politieke onderwijsdebat ging dan vooral over structuren, over netten, over statuten,... Laat ons het dus terug hebben over de kern van de zaak: onderwijs als hefboom voor sociale vooruitgang. "Sociaal" in de brede betekenis van het woord: niet alleen materieel en economisch, maar ook vooruitgang in het wederzijds begrip tussen mensen, in de sociale samenhang... Onderwijs kan verbinden. Dat is geen loos begrip. De impact van de Vlaamse secundaire scholen op het collectieve bewustzijn is tijdens de tweede helft van de vorige eeuw groot geweest, hoe we er inhoudelijk ook over oordelen: denk aan de rol van de katholieke colleges in de Vlaamse bewustwording en Vlaamse beweging, maar ook aan de vrouwenemancipatie, de progressieve bewegingen, enz., de sexuele emancipatie die op de lichaamscultuur van het rijksonderwijs teruggaat, enz. De grote uitdaging nu is die verbindings- en identificatiefunctie ook in te zetten naar de allochtone gemeenschappen toe.

Ik begin met een cliché, maar het mag geen cliché worden. Wij hebben uitstekend onderwijs, maar niet alle jongeren plukken de vruchten van dat uitstekende onderwijs. De barrières zijn sociaal en cultureel: het is de kloof tussen de wereld van thuis en de wereld van de klas, de kloof tussen de taal van thuis en de taal van de klas, waar kinderen niet over geraken; de barrières zijn niet op de eerste plaats financieel. En toch gaan we ons ook met centen bezig houden. Laat me uitleggen waarom.

Op de eerste plaats de centen van de ouders. Het gaat er niet om dat we met het onderwijsbudget het leven van alle ouders plotseling veel goedkoper zullen maken. Waar het om gaat is dat we geen dure scholen naast goedkope scholen willen. Want dat leidt tot sociale segregatie. En dus willen we in de basisscholen onverkorte toepassing van de kostenloosheid voor dat wat noodzakelijk is voor onderwijs in de strikte betekenis; en daarnaast ook een stelsel van maximumfacturen voor uitstappen en allerlei zaken die het leven op school inderdaad interessanter maken, en waarvoor een bijdrage van ouders zinvol is, maar: we willen géén bijdragen waarmee dure scholen zich onderscheiden van goedkope scholen. En dus pak ik binnenkort uit met voorstellen om die bijdragen te limiteren via een maximumfactuur. Bovendien willen we dat onderwijs en alles wat het leven op school boeiend maakt, niet weegt – ik zeg wel: niét weegt – op de budgetten van armere gezinnen. Vandaar niet alleen kosteloosheid van het onderwijs in de basisscholen, en een stelsel van maximumfacturen voor wat basisscholen bijkomend aanbieden en organiseren, maar ook een grondige verbetering en uitbreiding van de studietoelagen in het héle leerplichtonderwijs. Gisteren heeft de Vlaamse Regering weer een stap gezet naar de hervorming van de studietoelagen, waardoor het aantal kinderen en jongeren die recht krijgen bijna zal verviervoudigen (van 72.000 in 2005-2006 naar 276.000 in het schooljaar 2008-2009). Dat is maar een eerste stap: tijdens een volgende legislatuur moeten we bereiken dat voor diegenen die financieel het moeilijkste zitten, laat ons zeggen voor het armste kwart van de gezinnen, de studietoelagen ook het secundair onderwijs in de feiten echt kosteloos maken. Armoede en inkomensongelijkheid bestaan, en we moeten ook in het onderwijs prioriteit durven leggen bij diegenen die tegemoetkomingen het meeste nodig hebben.

We gaan ons niet alleen bezighouden met de centen van de ouders, maar ook met de centen van de scholen. Scholen die relatief veel kinderen over sociaal-culturele barrières moeten helpen, mogen daarvoor relatief meer werkingsbudget en meer omkadering krijgen. We bereiden daarom een fundamentele hervorming voor van de financiering van het leerplichtonderwijs, waarbij de financiering niet meer afhankelijk zal zijn van het net, maar wel van de kenmerken van de leerlingen en de kenmerken van de school. Wat kenmerken van leerlingen betreft, denk ik vandaag aan vier indicatoren: het opleidingsniveau van de moeder, het inkomen van het gezin (met name de vraag of het gezin al dan niet recht heeft op een school- of studietoelage), het al dan niet bestaan van een taalbarrière en de sociale buurt – met name in de steden – waaruit scholen recruteren. We proberen deze nieuwe financiering volledig rond te krijgen voor het basisonderwijs en voor de 1ste graad van het SO tegen 1 september 2008. Je kan een visie op financiering niet los zien van een visie op de taak en de organisatie van het onderwijs. Vermits ik voor de 2de en 3de graad van het SO een meer fundamentele bezinning wens over doelstelling en structuur – wat gevoelig en complex is –, zullen we daar vermoedelijk best werken met tussenstappen inzake nieuwe financiering, vooraleer we tot een definitieve hervorming komen.

Centen zijn een randvoorwaarde voor gelijke kansenonderwijs – belangrijk, maar toch niet meer dan een randvoorwaarde. De aanpak in de school, de sfeer in de school, de leiding van de school, dat is essentieel. Gelijke kansen veronderstelt scholen die warm en sterk zijn. Scholen die openstaan voor de moeilijkheden van jonge mensen en voor hun wereld. Scholen die hun aanpak kunnen vernieuwen, in een wereld die verandert. Maar ook scholen die uitdagend zijn, die eisen durven stellen, die de aspiraties voor al hun leerlingen hoog houden. En scholen die grenzen doen respecteren. Ons onderwijs moet goed zijn voor de sterken, en sterk voor de zwakken. Sterk wil zeggen: structuur bieden, de dingen niet op hun beloop laten.
Wat we maatschappelijk zeker niet “op z’n beloop” mogen laten, is de achterstand van allochtonen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. We hebben hier te maken met een werkelijk vicieuze cirkel, waarbij feitelijke tekorten, inzake opleiding, inzake houding, de bestaande vooroordelen versterken, waardoor je die feitelijke tekorten weer niet weggewerkt krijgt. (Wanneer een Marokkaanse jongen zich met slecht Nederlands aanbiedt bij een werkgever, dan zal die werkgever – bevestigd in vooroordelen – de volgende Marokkaan misschien niet meer uitnodigen. En misschien sprak die volgende zeer goed Nederlands en heeft die bijzonder goed gestudeerd. En die zal dan misschien aan zijn broertje vertellen dat studeren toch niet veel zin heeft, want je wordt ondanks een diploma toch nooit aangeworven. Wat ook onjuist is. En zo draait de cirkel rond: van feitelijke tekorten, naar vooroordelen, naar feitelijke tekorten… ) Om zo’n vicieuze cirkel te breken, moet je maatregelen nemen op allerlei terreinen tegelijk, moet je discriminatie beteugelen, maar ook investeren in succeservaringen. Op elke sport van de onderwijsladder moet geïnvesteerd worden in méér succes: succes met allochtone kleuters, succes met leerlingen in lager en secundair onderwijs en succes met studenten aan hogescholen en universiteiten. De eerste sport van de ladder - de kleuterklas - is daarbij cruciaal. Maar op elke sport zijn bijkomende inspanningen nodig. Telkens is dat een verhaal van centen èn vooral van wat er met die centen gebeurt. Het nieuwe financieringsmodel voor het hoger onderwijs dat ik zal invoeren, gaat ook daarover. En ook op de arbeidsmarkt is werk te doen, als we succeservaringen willen boeken. Een werk van lange adem.
Intussen willen we niet stilzitten met onze scholen. We willen meer kleuters in de kleuterklas krijgen vanaf 2,5 of 3 jaar, meer kleine kleuters dus, in kleinere klassen. Vanaf september wordt het stelsel van de zomerklassen versoepeld. Voor de taalvaardigheid Nederlands van de kinderen moet er immers meer met hen gepraat en vaker naar hen geluisterd worden. Verder wil ik de scholengemeenschappen middelen geven om samen met de LOP’s, met de gemeentebesturen, met de welzijnssector actief op zoek te gaan naar kleuters die niet opdagen. Ten slotte komen er bijkomende lestijden voor scholen met veel GOK-kleuters, d.w.z. kleuters uit gezinnen met kenmerken van kansarmoede. En we voorzien in specifieke begeleiding van kleuteronderwijzers met veel anderstalige kleuters in de klas, wellicht via een netoverschrijdende begeleidingsdienst. En we werken aan een inschrijvingsplicht vanaf de leeftijd van 5 jaar. Voorzitter, een partij van de sociale vooruitgang, een partij van de toekomst, een partij voor gelijke kansen, moet eigenlijk een partij van de kinderen zijn.
Ik ben meer en meer overtuigd dat ik de lat hoog moet leggen inzake taal en taalbeleid van scholen. Ik heb me geërgerd aan mensen die het belang van het Standaardnederlands relativeren. Natuurlijk zijn jongeren dikwijls zeer vaardig in een tussentaal of in hun eigen taal. Ze zijn taalvaardig. Maar wie de instructietaal van de klas – en dat is het standaardnederlands – niet beheerst, die kan je geen gelijke kansen aanbieden in het onderwijs, zeker niet in het hoger onderwijs. Het mislukken van allochtone studenten in het hoger onderwijs blijft onder meer om die reden vandaag dramatisch hoog.
Ik denk dat veel leerkrachten hun uiterste best doen om alle leerlingen te helpen om zich maximaal te ontwikkelen en om achterstanden weg te werken. Ik wil scholen in Vlaanderen daarin ook verder ondersteunen. Momenteel onderzoeken we dus of we een systeem van taaltoetsen kunnen ontwikkelen, waarmee basis- en secundaire scholen beter het niveau en de noden van hun leerlingen kunnen bepalen en daarop inspelen.
(Leerkrachten Nederlands weten ook dat andere vakleerkrachten zich niet altijd van dat belang van hun taalgebruik bewust zijn. Veel leerkrachten beseffen te weinig dat ze bij het overbrengen van vakinhoud rekening moeten houden met de taalvaardigheid van hun leerlingen. Ze zouden veel bewuster kunnen omgaan met de vraag of leerlingen de vaktermen die zij te horen krijgen wel kúnnen begrijpen en daarnaar moeten handelen. Zowel de taalvaardigheid als de vakinhoudelijke vorderingen zijn daarmee gediend. In het schoolteam kunnen leerkrachten Nederlands hun collega's op dat vlak helpen.)
Kansen op middelmatigheid zijn geen gelijke kansen. Want precies die jongeren bij wie er thuis niet veel geld is, niet veel relaties… die jongeren die onderwijs echt nodig hebben om hogerop te geraken, die hebben uitstekend onderwijs nodig. Daarom leg ik zo de nadruk op de kwaliteit van scholen, en daarom vind ik de publicatie van de doorlichtingsverslagen deze week eigenlijk al bij al een heilzame oefening. Als we gelijke kansen hoog op onze agenda zetten, dan moeten we ook kwaliteit van scholen hoog op de agenda zetten.
Een bekentenis. Ik ben socialist geworden, niet omdat ik denk dat de mensen gelijk zijn. Ze zijn zeer verschillend. Ze zijn verschillend geboren, en ze groeien op in zeer verschillende gezinnen. Sommige kinderen hebben talent voor taal, andere voor techniek, sommige kinderen hebben veel talenten die voor het grijpen liggen, bij andere moet je veel meer inspanning doen om talent aan te boren. Ik ben socialist omdat ik denk dat mensen hun talenten gekregen hebben, dat ze daar op zich geen verdienste aan hebben, en dat een mooie samenleving is een samenleving die van al die talenten, in al hun verscheidenheid, het beste probeert te maken.
Daarom moeten socialisten grondig bezig zijn met beroepsonderwijs en technisch onderwijs, en met technologie in het lager onderwijs. En er iets tastbaar voor doén… die scholen aantrekkelijk maken… dan zal de maatschappelijke waardering gemakkelijker volgen. Ik pleit voor een tweede democratiseringsgolf in het hoger onderwijs, maar niet iedereen moet naar de universiteit. En niet iedereen moet naar de professionele bachelors in de hogescholen. Bepaalde groepen – allochtonen bijvoorbeeld – mankeren duidelijk aan de universiteiten en de hogescholen, ja! Maar niet iedereen moet daar metéén naartoe. Democratisch onderwijsbeleid, dat oog heeft voor àlle talenten, moet nog een goed tussenverdiep voorzien tussen het secundair en de professionele bachelors. Daar gebeurt vandaag overigens al heel wat: ik verwijs naar onze vierde graden verpleegkunde, die prachtig werk doen, en ik sta soms versteld van wat leerlingen uit 7de jaren TSO kunnen. Dat tussenniveau wil ik vatten in het concept “hoger beroepsonderwijs” en een duidelijke en gewaardeerde plaats geven, binnen het onderwijs, en in de samenleving.
Om dezelfde reden willen we het idee van de gezamenlijke oriënterende eerste graad in het SO opnieuw versterken. Als we alle talenten kansen willen geven, dan kunnen we beter wachten met het strak opsplitsen van leerlingen in richtingen en vormen tot het derde jaar vanhet SO. Ik pleit niet voor een naïeve visie, die ervan uitgaat dat de 1ste graad voor iedereen net hetzelfde moet zijn. Dat is niet zinvol. Maar ik pleit er wel voor dat er voldoende gezamenlijk curriculum is.
Nog steeds om dezelfde reden – gelijke kansen voor alle talenten – moeten socialisten aandacht hebben voor de aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt. Sommige mensen denken dat dat een te “economisch” thema is. Dat is geen louter economisch thema. Hoe kan onderwijs beweren gelijke kansen te scheppen, als de eerste test voor gelijkheid van kansen, de test op de arbeidsmarkt, faalt? Daarom is het nodig een breed bondgenootschap aan te gaan tussen onderwijs en bedrijfsleven, gesteund door vakbonden en patroons!
We mogen veel vragen van scholen, maar scholen moeten ook steun krijgen uit de samenleving. Daarom pleit ik ook voor lokale bondgenootschappen voor gelijke kansen en komt er een decreet voor gemeentelijk flankerend onderwijsbeleid. Robert, Caroline, Rudy, Yves… we rekenen echt op jullie en op vele anderen als schepenen van onderwijs. Maak van jullie stad echt een “verbindingsstad”, ook inzake onderwijs!
Scholen zijn ontmoetingsplaatsen tussen mensen, ze zouden ontmoetingsplaatsen moeten zijn tussen jonge mensen met heel verschillende achtergronden en komaf. Scholen zouden ook ontmoetingsplaatsen moeten zijn met de toekomst. De toekomst is aan energiezuinigheid. Ik ben heel blij dat de eerste acties die we gelanceerd hebben m.b.t. energieaudits, energieboekhouding, subsidies voor verbetering van installaties, REG-investeringen… bijzonder goed lopen. Duizenden scholen spelen daar nu op in. En dat is nog maar een eerste stap. We moeten veel verder gaan op de weg naar energiezuinige scholen.
Beste vrienden,
Het principe van de leerplicht, bij ons pas gerealiseerd in 1914, had een grote sociale betekenis. Het was ook een leerrecht. Wie kiest voor gelijke kansen, kiest altijd voor een samenhang van rechten en plichten. Elke geboden kans is ook een stukje verantwoordelijkheid om er iets van te maken. Gelijke-kansen-scholen zijn warme en sterke scholen, waar een cultuur van aanmoediging en een cultuur van inspanning heerst. Ik pleit voor die cultuur. Kansen en verantwoordelijkheid, dat is de grondstof van solidariteit. Dat is, meer dan ooit, ook de grondstof van onze welvaart, want we zullen gelijke kansen voor èlk talent nodig hebben omwille van onze welvaart. En boven alles, solidariteit van kansen en verantwoordelijkheden, van wederkerigheid en respect, is de grondstof van samenleven. Daarin willen we investeren.


ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons