Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

Volkssoevereiniteit versus mensenrechten

Sinds Rousseau’s Du contrat social kennen we het principe van de volkssoevereiniteit. Het idee dat een volk op zich een entiteit is met volledige zelfbeschikking was op dat moment revolutionair. Tenminste, vanuit het ancien regime, maar we moeten er wel rekening mee houden dat (volgens de Tocqueville) de Franse revolutie ontstond door de socio-economische veranderingen. De Franse revolutie was enkel de bezegeling van een verandering die al langer in de maatschappij zelf aan het plaatsvinden was. En de maatschappij, dat was het volk. In tegenstelling tot de Amerikaanse grondwet, waar men nog altijd ‘one nation, under God’ is, was de Franse revolutie geseculariseerd. De legitimatie kwam vanuit het volk zélf, vanuit haar onvervreemdbaar recht op zelfbeschikking, vanuit haar soevereiniteit.

Soevereiniteit is een abstrakt begrip, kan niet worden vervreemd en kan door niemand worden verpersoonlijkt, hoogstens vertegenwoordigt. Maar zelfs bij machtsvertegenwoordiging blijft het volk de werkelijke eigenaar van de soevereiniteit. Dit idee is essentieel geworden voor onze westerse democratie.

Maar hét probleem was de invulling van het begrip ‘volk’. Een volk is niet gelijk aan een natie. Op een bepaald moment voelt een groep mensen zich verbonden, bijna altijd om etnische redenen (maar soms ook om andere redenen, kijk maar naar het Jodendom dat op geloof steunt) en ziet zichzelf als een aparte, onafhankelijke entiteit: een volk. Dit houdt automatisch in dat er dus verschillende volkeren zijn die allen soeverein zijn.

Het probleem was hoever deze soevereiniteit gaat. Geen enkel volk mag zich bemoeien met een ander volk zonder hun toestemming, want anders schendt men de soevereiniteit. En daar zit de zwakheid van het systeem. Wat met de normen en waarden die universeel gelden? Wat indien een volk deze niet eerbiedigt?

Maar hoe kan er zoiets bestaan als universele normen en waarden? Is de soevereiniteit van het volk niet absoluut? Sinds de verschrikkingen van de holocaust en de processen van Nürnberg is het internationaal aanvaard dat zelfs indien iets volledig rechtmatig is onder de wetten van een staat, het in strijd kan zijn met het internationale recht en dus strafbaar. Wat is de bron van dit internationale recht? Het is niets meer of minder dan een universeel systeem van waarden en normen dat boven de soevereiniteit van het volk lijkt te staan. Waar komt dit nu vandaan?

In de twintigste eeuw is meer en meer het idee gegroeid dat de verschillende volkeren toch allen verbonden zijn. Er is één gemeenschappelijk (en daarom abstrakt) kenmerk. Elke mens, elk individu, is mens. En dus deel van de mensheid.

De mensheid is het abstrakte volk waar we allen toe behoren. Niemand kan uitgesloten zijn van lidmaatschap. U bent mens indien u dat wil. Vrije wil is namelijk dé eigenschap eigen aan de mens en al wie die wil heeft, is mens. Dit abstrakt volk is een ‘state of mind’, een staat van denken, van gedachte en idealen. En waar deze gedachten onderling overeenstemmen, waar er consensus over bestaat, vinden we iets merkwaardigs. Universele waarden. Universele rechten die we aan élke mens toekennen. Zaken die zo vanzelfsprekend menselijk zijn dat het absurd zou zijn om ze iemand te onthouden.

Met welk recht beschouwen we deze waarden nu als essentieel en als afdwingbaar? Met welk recht beschouwen we sommige van deze waarden als hoger dan de volkssoevereiniteit?

Eigenlijk beschouwen we het NIET als hoger dan de volkssoevereiniteit, maar zien we het als soevereiniteit van een ander soort volk, een abstrakter volk. Namelijk de mensheid. De basis voor de mensenrechten en de universele waarden is de soevereiniteit van de mensheid. Aangezien de mensheid een abstrakte vorm van volk-zijn is, is ook de soevereiniteit van de mensheid abstrakter. En dus per definitie algemener.

Volgens de algemene wetten van de democratie die stellen dat er meer gezag uit twee mensen komt dan uit één kunnen we dus stellen dat volgens de (alweer abstrakte) democratie de mensenrechten, die voortvloeien uit de soevereiniteit van de mensheid, een sterkere gelding hebben dan de individuele volksrechten, die voortvloeien uit de soevereiniteit van het individuele volk.

Dit dient niet te worden gezien als een beperking van de volkssoevereiniteit maar als een overkoepeling waar elk volk zich in kan vinden en wat dus eigenlijk ook zelf voortvloeit uit de soevereiniteit van het volk.

Chris Demeyere

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons