Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

Interview met Saïd El Khadraoui (sp.a): 'De grondwet zal Europa dichter bij de mensen brengen'

Met zijn 29 jaar is hij één van de jongste van de 732 leden van het Europees Parlement. Toch heeft Saïd El Khadraoui het gevoel dat hij, ook al is hij één van de velen, het verschil kan maken. En de macht van het Europees Parlement zal nog groeien als de grondwet er komt. Een gesprek over de toekomst van Europa, de relatie met de burger, de internationale handel en het buitenlands beleid van de Europese Unie. Eén ding is duidelijk: voor El Khadraoui kan Europa alleen nog maar beter en sterker worden.

Grondwet geeft ons meer macht

Wat is jouw taak als europarlementariër?
Wij zitten met 732 man in het Europees Par-lement, dus kunnen we zeker niet alles samen bespreken. Elk parlementslid zit daarom in een commissie waar het voorbereidende werk wordt gedaan. Ik zetel bijvoorbeeld in de commissie Transport en Toerisme. Transport is een erg belangrijk thema voor ons omdat Europa daar al veel over te zeggen heeft en het Parlement er mee over kan beslissen. In die commissie bestuderen we bijvoorbeeld treinverkeer, luchtvervoer en havens, maar ook mobiliteit in de ruime zin.
Verder ben ik plaatsvervanger in de commissie Internationale Handel, waar we onder andere de besprekingen binnen de Wereldhandelsorganisatie opvolgen en vrijhandelsakkoorden tussen de EU en landen – of groepen van landen – voorbereiden.
We zitten ook allemaal in een delegatie waar we de relaties tussen de EU en bepaalde landen bestuderen. Ik ben lid van de delegatie voor de zuidelijke Kaukasus. Om de twee maanden steken we de hoofden bijeen om te praten over Georgië, Azerbeidjan en Armenië. Wat gebeurt er in dat land? Hoe is de economische en politieke situatie ginder? En één keer om de twee jaar gaan we ook ter plaatse een kijkje nemen.
Je zetelt dus als plaatsvervanger in de commissie Internationale Handel. Dat is nochtans een beleidsdomein waar het Europees Parlement weinig over te zeggen heeft.
Het is inderdaad zo dat de commissie Internationale Handel van het Europees Parlement niet heel veel te zeggen heeft. Voorlopig toch, want als de Europese grondwet van kracht wordt, krijgen we ook bij handelsakkoorden medebeslissingsmacht. We zullen dan effectief mee kunnen beslissen over de handelsakkoorden die de Europese Commissie sluit. Op dit ogenblik is dat nog niet het geval en worden we – laten we zeggen – goed geïnformeerd, kunnen we mee debatteren, kunnen we proberen de Europese Commissie te beïnvloeden en stellen we heel veel vragen. Maar eigenlijk geven we nu vooral adviezen. Op dat vlak hebben we dus minder effectieve macht. Het is wel zo dat de huidige eurocommissaris Mandelson al probeert te anticiperen op wat er in de toekomst zal veranderen en al heel veel rekening houdt met wat wij in het Parlement zeggen.
Zal de grondwet veel veranderen voor het Europees Parlement?
De grondwet zal er voor zorgen dat men meer rekening moet houden met het Europees Parlement, omdat meer beleidsdomeinen onder de medebeslissingsprocedure zullen vallen. Dat wil zeggen dat het Parlement op meer beleidsdomeinen wetgevende bevoegdheid zal krijgen. In de grondwet staan een stuk of tien domeinen opgesomd, waaronder internationale handel. Voor transport is dat vandaag al het geval. De Europese Commissie doet een voorstel en wij bespreken dat in het Europees Parlement. We proberen het aan te passen, te verbeteren, uit te breiden enzovoort. De Raad van Ministers, die de lidstaten vertegenwoordigt, doet dat ook. Uiteindelijk moeten die drie instellingen – de Europese Commissie, de Raad van Ministers en het Europees Parlement – samen een akkoord bereiken over de Europese wet. Het is alleszins een verbetering, we gaan er op vooruit.
Op budgettair vlak zullen we als Parlement ook veel meer te zeggen hebben. Dat is natuurlijk heel belangrijk: waar gaat het Europese geld naartoe en onder welke voorwaarden. Ook op dat gebied geeft de grondwet meer macht aan het Parlement. Vandaag hebben we al veel te zeggen over de niet-verplichte uitgaven van de begroting, maar dat is eigenlijk maar de helft van het hele budget.

Democratisch deficit

Heeft de Europese Unie te kampen met een democratisch deficit?
Wel, je moet weten waar we vandaan komen. De EU is ontstaan na de Tweede Wereldoorlog, toen zes landen beslisten om hun kolen- en staalindustrie gemeenschappelijk te beheren. De EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal – nvdr) is vandaag uitgegroeid tot een Unie van vijfentwintig landen, die bevoegd is over veel meer beleidsdomeinen dan enkel kolen en staal. En het evolueert nog. De grondwet zal Europa op het gebied van buitenlandse politiek, meer slagkracht geven en andere beleidsdomeinen zullen geleidelijk belangrijker worden, bijvoorbeeld asiel, migratie en veiligheid. Gelukkig besefte men ook dat er een democratisch orgaan, zoals een parlement, nodig was om de stem van het volk te vertegenwoordigen. Eind jaren zeventig, toen het werd opgericht, was het Europees Parlement een praatbarak. Het had weinig bevoegdheden en kon over niets meebeslissen. Vandaag is dat al niet meer zo. Voor milieu en transport is er bijvoorbeeld de medebeslissingsprocedure, waardoor het Europees Parlement een écht parlement is dat goed werkt.
Als europarlementslid heb ik het gevoel dat je als individu in het Europees Parlement veel meer kan bereiken dan in een nationaal parlement. In een nationaal parlement heb je immers veel meer het spel tussen meerderheid en oppositie, waarbij je als oppositielid het voorstel van de meerderheid automatisch slecht vindt en omgekeerd. Wij hebben dat niet. Wij beoordelen de voorstellen van de Europese Commissie op hun merites. Als het een goed voorstel is, zullen we het steunen, al dan niet met nog wat kleine aanpassingen en toevoegingen. Als het een slecht voorstel is, zullen we dat ook heel luid zeggen en zullen we proberen het weg te stemmen of zodanig te veranderen dat het voor ons aanvaardbaar is. Geen enkele fractie in het Europees Parlement heeft een meerderheid, dus moet je voortdurend coalities maken en compromissen sluiten. Dat is een heel andere manier van werken.
Kan je je als europarlementariër onderscheiden van de 731 andere parlementsleden?
Als je rapporteur of schaduwrapporteur bent, heb je heel veel te zeggen. Een rapporteur is een europarlementslid die een bepaald dossier voor de bevoegde parlementaire commissie van het begin tot het einde opvolgt. Hij is een aanspreekpunt voor veel mensen, bijvoorbeeld lobbygroepen. Als dat iemand van een andere fractie is, zullen wij de schaduwrapporteur aanduiden. Ik ben nu bijvoorbeeld schaduwrapporteur voor de sociaal-democratische fractie in het dossier van de rechten en plichten van treinpassagiers. Als een trein in de toekomst enorme vertraging heeft, die de schuld is van de treinmaatschappij, zal je als passagier een compensatie krijgen. We willen treinen ook toegankelijker maken voor gehandicapten enzovoort. In duizenden andere dossiers heb ik heel weinig te zeggen, maar in dat specifieke dossier heb ik heel veel te zeggen.

Gebrek aan communicatie en informatie

De Europese bevolking weet nauwelijks waar de Europese Unie mee bezig is. Is er dan geen deficit van communicatie en informatie?
Er is inderdaad een probleem van communicatie, van uitleggen waar Europa mee bezig is en wat er allemaal beslist wordt. Dat moet dan ook één van de grote uitdagingen voor de toekomst zijn. We moeten op zoek gaan naar nieuwe manieren om de bevolking te betrekken bij wat er op het Europese niveau allemaal gebeurt. Maar je mag je daar ook niet te veel illusies over maken. Hoe minder concreet een bepaald voorstel is of als het pas effect op lange termijn heeft, hoe moeilijker het is om mensen hiervoor warm te maken. Als je in de gemeenteraad zit en je beslist om een straat te heraanleggen, dan weten de buurtbewoners waarover het gaat en willen ze hun mening daarover kwijt. Maar als we spreken over de rechten en plichten van treinpassagiers binnen vijf of zes jaar… Wie is daar mee bezig? Dat zijn de Bond van Trein-, Tram- en Busgebruikers, de vakbonden en de treinmaatschappijen. Dat zijn er ook veel, maar dat zijn de mensen die in eerste instantie geïnteresseerd zijn, ook al beslis je over iets dat heel veel impact heeft op bijna iedereen. Je kan de man in de straat moeilijk warm maken om mee te beslissen over iets dat vrij technisch is en ver van zijn bed staat. Je kan met hem wel discussiëren over het principe, maar moeilijker over hoe dat principe concreet uitgevoerd moet worden.
Biedt de grondwet hiervoor een oplossing?
De Europese grondwet doet pogingen om Europa dichter bij de mensen te brengen, door het initiatiefrecht van de burgers te introduceren. Als een organisatie of beweging één miljoen handtekeningen kan verzamelen om een bepaald onderwerp op de agenda te zetten, dan moet de Europese Commissie daar rekening mee houden en daar ook iets rond doen. Eén miljoen handtekeningen lijkt enorm veel, maar je mag niet vergeten dat Europa nu 425 miljoen inwoners telt. Ik kan me heel goed inbeelden dat milieu- of vakbewegingen in staat zijn zoveel mensen te mobiliseren. Het heeft hopelijk ook tot gevolg dat meer en meer organisaties zich op Europees niveau organiseren, zoals milieu- en vakbewegingen. Het initiatiefrecht zal hen aanzetten om meer samen te werken. De industrie is natuurlijk een stap voor, zij zijn vandaag al goed georganiseerd. Maar ik denk dat ook andere bewegingen zullen volgen, zeker wanneer de burgers en verenigingen beseffen dat Europa belangrijker wordt en ze zelf ook iets op de agenda kunnen plaatsen.
Hebben de media een taak te vervullen bij het informeren van de bevolking over de Europese Unie?
Dat is een verantwoordelijkheid die bij velen ligt. De diverse Europese instellingen - de Raad van Ministers, de Europese Commissie en het Europees Parlement - moeten proberen uit te leggen waar ze mee bezig zijn. Een individueel parlementslid heeft daar een rol in te spelen, maar de media ook. Ze moeten beseffen dat Europa steeds belangrijker wordt. Het is minder en minder de Belgische wetgever die fundamentele beslissingen neemt: het is niet meer de Wetstraat, maar het Schumanplein of de Wiertzstraat die belangrijker wordt. De media zeggen dat het allemaal nogal ingewikkeld is om uit te leggen. Dat is waar, maar als men van Europa een dagelijks of wekelijks nieuwsitem of rubriek zou maken, dan is dat al een stap in de goede richting. Wat is er deze week in de EU beslist of voorgesteld? Waar gaat de discussie over?
Anderzijds moet de Europese Commissie een beter communicatiebeleid voeren. Zij lanceert namelijk de wetsvoorstellen en ze moet achteraf, als het wetgeving geworden is, toezien op de uitvoering ervan, zoals een soort Europese regering. Als je nu iets van de Commissie hoort, dan is dat vaak een Engelstalige woordvoerder die in een grote persconferentiezaal een mededeling doet. De Europese Commissie zou zich in haar communicatie meer moeten aanpassen aan de lidstaten. Voor België zou er bijvoorbeeld een 'mister Europe' aangeduid moeten worden, een woordvoerder van de Commissie die de Belgische pers te woord staat. Na een tijd wordt dat een herkenbare figuur en zal je misschien meer over Europa lezen en horen.

Barroso: Niet echt onze favoriete kandidaat

Hoe staat jouw fractie in het Europees Parlement tegenover de nieuwe Commissie-Barroso?
Onze eerste reactie bij de aanstelling van Barroso was: is dat nu de man die Europa de volgende jaren in de goede richting gaat duwen? Hij was niet echt onze favoriete kandidaat, laten we het zo zeggen. Hij heeft ook Bush gesteund in zijn initiatief om Irak binnen te vallen. Er waren wel een aantal redenen om te zeggen dat het niet de beste man op die plaats was. En dan kwam hij af met een Commissie waar een aantal controversiële figuren in zaten. Wij hebben hem kunnen overtuigen om daar wat aan te veranderen. Toen stonden we vijf maanden verder en we hadden nog altijd geen Commissie. Dus hebben we beslist dat die Commissie nu haar job moest doen en wij zouden haar beoordelen op de concrete voorstellen die ze doet. Dat is nu aan het gebeuren.
Kan je je vinden in de Lissabon-strategie van Barroso, die de nadruk legt op ‘growth and jobs’?
Lissabon is een strategie om Europa dynamischer te maken op economisch vlak. Maar belangrijk is dat men daarin de nadruk legt op drie elementen: het economische, het sociale en het milieuaspect. Die drie elementen samen zijn de pijlers van het Europese beleid dat we willen voeren. We hadden in het begin schrik dat de commissie alleen met het economische aspect rekening zou houden, maar gelukkig heeft ze ook ingezien dat er een sociaal en milieuaspect is. In de laatste teksten die we gelezen hebben, wordt dat erkend door de Europese Commissie. In die zin is dat een stap vooruit, maar we wachten de concrete voorstellen af.

Eén blok

In februari kwam president Bush naar België en maakte meteen werk van zijn charmeoffensief. Moet Europa zijn uitgestoken hand grijpen en mee op de kar van de Verenigde Staten springen?
We moeten durven toegeven dat we altijd veel aan de Verenigde Staten gehad hebben. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook daarna, zijn ze eigenlijk altijd onze natuurlijke partners geweest. Europa wil daarom nog altijd samenwerken. Maar we zien wel dat de Verenigde Staten, sinds het aantreden van Bush, een ander idee hebben dan Europa over wat een buitenlands beleid moet zijn. Zij spelen de gendarme van de wereld en willen hun visie zomaar opleggen zonder multilateraal overleg in de Verenigde Naties. Die eigengereide houding levert volgens mij meer gevaren op dan dat ze problemen oplost.
Toch heb ik de indruk dat de Republikeinse president ondertussen begrepen heeft dat hij de kar niet alleen kan trekken en dat hij onze steun nodig heeft. Daarom was hij allicht zo poeslief toen hij naar Brussel kwam. Hij probeert de brokken te lijmen.
Moeten we ons dan zomaar laten inpakken?
We moeten de uitgestoken hand aannemen, maar dan wel op een kritische manier. Ik heb immers niets tegen de Amerikanen an sich, maar wel tegen het huidige beleid van de president. Binnen enkele jaren wordt die vervangen. Laten we hopen dat dan een Democraat naar het Witte Huis verhuist. We moeten kortom duidelijk laten zien dat we willen samenwerken, ook op buitenlands vlak, maar dat ze wel naar ons moeten luisteren.
Naar wie moeten de Verenigde Staten dan luisteren? Tot dusver heeft de Europese Unie nog geen welomlijnd buitenlands beleid.
We moeten natuurlijk de hand in eigen boezem durven steken en toegeven dat we bijvoorbeeld over Irak geen eensluidend standpunt hadden. Dat maakt het natuurlijk des te moeilijker om invloed te hebben op de Verenigde Staten, die onze verdeeldheid handig aangrijpen om gewoon hun eigen wil te volgen. We moeten dus absoluut een gemeenschappelijk standpunt vormen op buitenlands vlak. In de grondwet staan een aantal artikels waardoor dat makkelijker zal worden, bijvoorbeeld de benoeming van een minister van Buitenlandse Zaken die ook een soort van administratie onder zich zal hebben. Waarschijnlijk zal Javier Solana die nieuwe minister worden. Met zijn ervaring en diplomatiek talent kan hij allicht de verschillende neuzen in één richting duwen en zorgen dat we met één woord spreken, niet alleen naar de VS maar ook naar probleemgebieden toe. We hebben dat nu al behoorlijk gedaan met Iran, waar Europa een positieve en constructieve rol gespeeld heeft. De VS lijken nu toch onze diplomatieke strategie te volgen. Dat is al een stap in de goede richting. Maar er is nog veel werk en het zal erg moeilijk worden. Eigenlijk kan een Europees buitenlands beleid pas echt goed lukken als Frankrijk en Groot-Brittannië hun zetel in de Veiligheidsraad afstaan aan de EU. Maar dat is nog niet voor morgen.

Landbouwsubsidies zijn een oud zeer

Zelf ben je op buitenlands vlak de laatste maanden vooral bezig geweest met de handelsvoordelen voor de ontwikkelingslanden. Welke vernieuwingen hebben jullie aangebracht?
Het schema van algemene tariefpreferenties (SAP) aan ontwikkelingslanden bestaat al sinds 1971, maar het Europees Parlement heeft nu een herziening goedgekeurd. Eigenlijk is het gewoon een vereenvoudiging van de bestaande regeling. Wij willen die landen helpen door de invoertarieven voor hun exportproducten te beperken of af te schaffen. In bepaalde gevallen, als we het nultarief hanteren, zullen de landen wel aan een aantal vereisten moeten voldoen, bijvoorbeeld respect voor de mensenrechten. Als die landen een beter sociaal en milieubeleid voeren, kunnen wij daar ook van profiteren.
Voor belangrijke producten is de overgangstermijn vrij lang: pas in 2006 kunnen bananen van de lage invoerrechten genieten. Suiker en rijst zullen tegen 2009 geliberaliseerd zijn. Waarom zo lang wachten?
Eerst moeten landen zich kandidaat stellen en aan een aantal eisen voldoen en dan pas kunnen we de speciale rechten toekennen. De invoer van bananen, rijst en suiker is uitgesteld omdat de handel van die producten in Europa heel gevoelig ligt. Er zijn namelijk ook Europese landen die op die markt spelen. In België bijvoorbeeld zal de goedkope invoer van suiker zeker heel moeilijk verteerd worden. Onze boeren produceren nu suiker die ze aan drie keer de wereldmarktprijs verkopen. Als je dan plots alle deuren openzet voor suiker uit derdewereldlanden, komen de boeren hier massaal op straat.
We zullen dus een evenwicht moeten vinden tussen de Europese belangen en het idee om de ontwikkelingslanden te helpen. Het zal veel moeite vergen, maar tegen 2009 moeten de boeren de bittere pil doorgeslikt hebben. Het is normaal dat je daar overgangstermijnen voor instelt.
Zullen onze boeren er binnen vier jaar dan wel klaar voor zijn?
Het zal wel moeten. Er komt in ieder geval een hervorming van de suikerteelt. Er is heel wat discussie over hoe die hervorming er moet uitzien, maar iedereen is het er over eens dat er iets moet veranderen.
Geldt het nultarief ook wederzijds?
Nee, het geldt in eerste instantie voor de ontwikkelingslanden. De SAP is een uitzondering op de WTO-regels, die uitgaan van wederkerigheid. Onze regeling is duidelijk ten voordele van de ontwikkelingslanden, eenrichtingsverkeer dus. Los hiervan, kunnen er economische partnerschapsakkoorden gesloten worden, waar dan wel in detail wordt ingegaan op compensaties voor de Europese landen.
De EU kan dus ook haar graantje meepikken?
Ja, maar daar is niets verkeerds aan, dat is ook het idee van een gemeenschappelijke Europese markt. Meer handel op een eerlijke manier komt iedereen ten goede.
Werken de Europese landbouwsubsidies al deze inspanningen niet tegen? Als de EU hoge subsidies aan haar boeren blijft geven, zullen de ontwikkelingslanden hier nooit voet aan de grond krijgen.
De Europese landbouwsubsidies zijn een oud zeer. Ze zijn ontstaan in een periode van voedseltekort in de jaren veertig en vijftig. Vandaag beseft iedereen dat het systeem niet langer houdbaar is. In plaats van de productie te stimuleren, moeten we in de toekomst eerder het inkomen van de landbouwers ondersteunen en hen belonen als ze moeite doen voor een degelijk natuurbehoud. De ommekeer is bezig, maar zoals iedereen weet wordt de landbouw ondersteund door een belangrijke lobby en kan je dus zulke hervormingen niet van de ene dag op de andere realiseren.

Eline Vangeel & Josti Gadeyne

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons