Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

Interview met Reginald Moreels

Reginald Moreels is een buitenbeentje in de Belgische politiek. Hij studeerde af als chirurg, werd nadien voorzitter van de Belgische afdeling van Artsen Zonder Grenzen en vervolgens Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. Onder zijn leiding onderging de Belgische ontwikkelingssamenwerking een heuse transformatie. Het ABOS werd grondig hervormd en Moreels maakte komaf met het verfoeilijke systeem van de gebonden hulp. Na de verkiezingen van 1999 trok Moreels door de politieke woestijn. Hij stapte uit de CVP en trok samen met Johan Van Hecke naar de VLD. Hierna volgt een gesprek met een bewogen en gedreven man.

Lees dit interview nu...

Reginald Moreels is een buitenbeentje in de Belgische politiek. Hij studeerde af als chirurg, werd nadien voorzitter van de Belgische afdeling van Artsen Zonder Grenzen en vervolgens Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. Onder zijn leiding onderging de Belgische ontwikkelingssamenwerking een heuse transformatie. Het ABOS werd grondig hervormd en Moreels maakte komaf met het verfoeilijke systeem van de gebonden hulp. Na de verkiezingen van 1999 trok Moreels door de politieke woestijn. Hij stapte uit de CVP en trok samen met Johan Van Hecke naar de VLD. Hierna volgt een gesprek met een bewogen en gedreven man.

Hoe sta je tegenover de antiglobaliseringsbeweging?
Ik liep vorig jaar nog met de antiglobalisten mee in de betoging in Gent, samen met de grote NGO’s zoals Greenpeace, Artsen Zonder Grenzen en Amnesty International. Organisaties die elk op hun terrein ageren voor bewonderswaardige doeleinden. Maar de antiglobaliseringsbeweging is te weinig gestructureerd en er zitten ook een aantal fanatici tussen. En alles wat naar fanatisme ruikt verwerp ik. Bij de antiglobalisten zitten ook heel wat mensen die het protectionisme verdedigen, zoals een José Bové. Ik denk dat heel wat antiglobalisten geen rekening houden met de maatschappelijke evolutie. Ze verzetten zich tegen alles wat ruikt naar het kapitalisme, de wetenschap en de technologie. In feite zijn ze gewoon conservatief en weigeren ze door een wetenschappelijke bril te kijken naar de positieve aspecten van de globalisering. Antiglobalisten hebben bijvoorbeeld het genetisch onderzoek steeds door een negatieve bril bekeken. Terwijl dit ook heel positieve resultaten heeft opgebracht.

Toch kent de beweging heel wat succes. Hoe is dat dan te verklaren?
Dat komt omdat de globaliseringsbeweging de voorbije jaren beheerst is geworden door neoliberale fundamentalisten. Die verkondigen dat de vrije markt automatisch leidt tot een verbetering van het lot van de armsten. Ze geloven alleen in groei en winst en dat dit ten goede zal komen van iedereen. Maar dat klopt niet. Hooguit vallen er kruimels van de tafel die worden opgepikt door de armsten. De vrije markt heeft wel een grote welvaart gebracht, maar je hebt ook regels nodig om die welvaart evenredig te verdelen. Daarbij komt ook de angst van de mens voor de toekomst. Wanneer multinationals aankondigen dat ze gaan sluiten, saneren of delocaliseren, zoals het geval was met Renault en nu met Philips, dan kan ik begrijpen dat de getroffen werknemers sympathie krijgen voor de antiglobalisten.

Je was ook in Seattle toen de antiglobalisten voor de eerste keer wereldwijd van zich lieten horen. Hoe heb je dit ervaren?
Dat was een unieke belevenis. Ik was daar toen als parlementair. We geraakten echter niet in onze vergaderruimte en het interesseerde me touwens meer om op straat te zijn. Daar heb ik de geweldploegen gezien, professionele herrieschoppers. Maar de meerderheid van de betogers waren syndicalisten uit de staalindustrie die opkwamen voor protectionisme voor het Amerikaanse staal. Die lagen totaal niet wakker van de situatie van de arme zwarten of de doodstraf in China. Je ziet trouwens dat die betogingen niet multicultureel zijn samengesteld. Maar nogmaals, ik begrijp de angst die bij veel mensen leeft voor hun toekomst. Ik neem dan ook een tussenpositie in in die steriele tegenstelling tussen diegenen die alleen de winst om de winst beogen en zij die denken dat ze de wereld op slag kunnen verbeteren.

Diverse NGO’s vragen een grotere inspanning voor ontwikkelingshulp. Al jaren pleit men voor een inspanning van 0,7% van het BNP. Hoe sta je daar tegenover?
Ik heb veel sympathie voor die NGO’s maar de meeste van hen zijn nooit op het terrein geweest. Ze focussen zich uitsluitend op die mytische 0,7%. Nu mag dat van mij meer zijn, maar essentiëler is de vraag hoe je die ontwikkelingssamenwerking op het terrein concreet maakt. Gaan we verder geld steken in al die bureaucratie en zogenaamde experten die daar rond hangen of gaan we effectief de lokale gemeenschap en overheid betrekken? Ik opteer voor het laatste waarbij we ook respect hebben voor hun lokale tradities.

Gewoon het budget voor ontwikkelingshulp verhogen is dus niet voldoende?
Neen helemaal niet. Als staatssecretaris stelde ik vast dat het ABOS het geld dat we ter beschikking stelden zelfs niet opkreeg. En als ik het budget verhoogde moest ik ervoor vechten dat het niet naar de bureaucratie ging maar effectief op het terrein terecht kwam. Ik geloof trouwens dat het nuttiger is om gedecentraliseerd te werken met small grants, kleine fondsen om mensen te proberen een ontwikkeling te geven zonder al die administratieve paperasserij. Daarbij moet de hulp ook ongebonden zijn. Gebonden hulp is eigenlijk even protectionistisch als die importheffingen en landbouwsubsidies die we kennen. Waarbij ontwikkelingshulp gekoppeld wordt aan bestellingen bij onze bedrijven in Vlaanderen, Brussel en Wallonië. Ik ben daar als staatssecretaris tegen in gegaan. Uit een studie van enkele universiteiten en de OESO bleek dat die ongebonden hulp zelfs ten goede kwam aan onze bedrijven omdat ze competitief sterker staan dan bedrijven in andere landen.

Intussen wordt het protectionisme door de Europese Unie toch afgebouwd?
Ik heb daar mijn twijfels over. Men beweert dat de importheffingen quasi tot nul zijn gereduceerd, maar dat is niet waar. Men neemt nu meer non-tarif barriers of beperkende maatregelen die door de rijke landen worden ingesteld om hun markt te beschermen tegen concurrentie uit het zuiden. Het gaat hier over contingenten, technische of sanitaire normen of wetten die in feite onze binnenlandse ondernemingen bevoordelen. Producten mogen theoretisch wel binnenkomen maar in de praktijk worden ze geweigerd omdat ze bijvoorbeeld niet voldoen aan een hygiënische verpakking. En dat gebeurt doelbewust hoor. Europa aanvaardde wel het principe van everything but arms maar tegelijk heeft men wel een moratorium, zeg maar een wachtperiode, ingevoerd tot 2007 voor rijst en suiker. Concreet betekent dit dat al die kleine boeren uit het zuiden in de kou blijven staan.

Hoe kunnen we dat verhelpen? Welke macht zou dergelijke vormen van protectionisme kunnen verhinderen?
Drie jaar geleden schreef ik reeds dat er een soort wereldregering zou moeten komen in de schoot van de Verenigde Naties met een reeks multicultureel samengestelde ministeries, waarin de diverse regio’s duidelijk aanwezig zijn. Met de UNDP als ministerie voor ontwikkeling, de Wereldbank als ministerie voor investeringen, de WTO als ministerie voor handel, het IMF als ministerie voor financiën, het ILO als ministerie voor Arbeid, elk met een uitvoerende bevoegdheid. Dat alles onder een VN met een bindende macht en niet zoals nu, waar men met een Handvest van de Mensenrechten zit dat niet bindend en derhalve niet afdwingbaar is. Als we spreken over globalisering dan moeten we het principe van een soort wereldregering op tafel leggen.

Op bijeenkomsten pleit je ook voor een soort culturele democratisering. wat bedoel je daarmee?
De democratie is het mooiste systeem dat de homo sapiens heeft uitgevonden om de maatschappij zo vrij, zo leefbaar en zo rechtvaardig mogelijk te maken. De democratisering heeft ons in het westen welvaart gebracht, een sociale zekerheid en een rechtstaat, maar vooral ook de laiciteit. De scheiding tussen religie en politiek. Uit de confrontatie van de humanistische moraal met de theologische en zelfs theocratische moraal heeft men vanaf de zestiende en zeventiende eeuw de autonomie als een element van het menszijn gepromoveerd. Een spectaculaire ontwikkeling die diametraal stond tegenover de heteronomie waarin alles aan de mens van buitenaf werd opgelegd. Dat noem ik een vorm van culturele democratisering die we hier gekend hebben. Als ik nu spreek over culturele democratisering in Afrika dan bedoel ik dat men moet zoeken naar een consensus waarbij men ook rekening houdt met lokale gebruiken en tradities en dit in overleg met de civiele maatschappij. Zo moet men zoeken naar een alliantie tussen het traditionele recht en de codex van het moderne recht, alliantie van de internettechnologie met de orale traditie, alliantie van het vrije marktmodel met de lokale gift- of ruileconomie die ze kennen. We moeten dus de klassieke westerse manier van denken over democratie verbinden met de traditionele manier waarop men daar met elkaar omgaat?

Maar wat als die tradities ingaan tegen fundamentele mensenrechten?
Culturele democratisering is geen cultuurrelativisme. Een cultuur die fanatiek reageert ten opzichte van een bepaalde bevolkingsgroep, geslacht, leeftijd of etnie is totaal tegengesteld met de democratie. Ik ben voor actieve geweldloosheid. Maar alles wat fundamenteel strijdig is met de onaantastbare waarden en mensenrechten moet bestreden worden. Geweld moet gebruikt worden om volkerenmoorden en massale schendingen van mensenrechten te voorkomen en te bestrijden. Maar schendingen van mensenrechten kunnen best bestreden worden door een alliantie te vormen met de mensen die die tradities hoog houden zoals de dorpschefs.

Maar wat als men die tradities juist gebruikt als een scherm of vanuit de conservatieve drang om alles te behouden zoals het is?
Traditie als een waarde is niet hetzelfde als conservatisme. Alles wat conservatief is is per definitie iets wat zijn waarde hoeft te verdedigen en een waarde hoeft zich niet te verdedigen. Dat is het grote verschil tussen een waarde en een waarheid. Een waarheid, in de vorm van een traditie of gewoonte, moet zich juist wel verdedigen. Absolute waarheden vanuit een religie, vanuit de wetenschap, vanuit de economie of vanuit de politiek bestaan niet. Ik geloof niet meer in absolute waarheden. Ik geloof wel in transcendentie maar dat is volgens mij geen absolute waarheid. Maar er is wel iets. Neem nu de Big Bang. Geen enkele wetenschapper kan dit juist verklaren, maar iets heeft dat toch in gang gezet. Ik geloof niet in een persoonlijke God maar wel in een goddelijkheid, als iets dat de mens voorbijgaat en dat mij meer mens maakt.

Heb je het nu over ethisch handelen?
Dat is iets anders. Als je over waarheden spreekt dan spreek je over moraal. Als je over waarden spreekt dan spreek je over ethiek. Ethiek is in feite de permanente zoektocht naar de zin van een beslissing, van een idee, van een gedrag. Terwijl de moraal vanuit een aantal dogma’s vertrekt. Daarom hecht ik als arts ook meer belang aan de teleologie dan aan de deontologie. De ethiek van een beslissing wordt bepaald aan het resultaat ervan. Terwijl in de deontologie de ethiek van een bepaalde beslissing bepaald wordt door het dogma. Als ik een gekende en gezochte oorlogsmisdadiger op de operatietafel krijg dan zal ik hem medisch helpen, dat is mijn plicht. Maar ondanks de deontologie die mij zwijgplicht oplegt, zal ik die man nadien toch aangeven, want dat beschouw ik als mijn ethische plicht. Kwestie van te verhinderen dat hij opnieuw misdaden zou begaan. Voor mij zijn de belangrijkste waarden het respect voor het leven, eerlijkheid en transparantie. Vanuit deze waarden groeien als vanzelf het respect voor de vrijheid, de verantwoordelijkheid, de rechtvaardigheid en de mensenrechten. De moraal zegt dat stelen niet goed is, de ethiek daarentegen laat stelen toe uit lijfsbehoud. Dat is immers niet stelen maar gewoon nemen uit respect voor het eigen leven.

In tal van interviews noem je jezelf een personalist. Wat bedoel je daarmee?
Het personalisme is een beweging die vooral in het begin van de vorige eeuw is opgekomen met twee belangrijke stromingen. Enerzijds een katholieke, conservatieve stroming van mensen als Maritain die stelden dat de religie opnieuw een belangrijke rol in het leven moest spelen. Anderzijds een stroming onder Mounier die als vrijdenker eerder het principe bemin uw naaste zoals uzelve toepaste, iets waar ik mij meer in herken. Ik geloof niet in de absolute vrijheid. De vrijheid van elkeen stopt op het ogenblik dat er schade komt voor anderen. Dat zeggen natuurlijk veel andere mensen ook. Maar het personalisme heeft wel een supplementaire waarde in die zin dat de mens meer mens wordt, niet door zelf volledig autonoom te zijn, maar door zijn dagelijkse relaties met anderen. Maar dan wel relaties die geen vorm van wederkerigheid vereisen. Het is geven zonder dat je verwacht dat je iets terugkrijgt.

Dat stemt overeen met de theoriën van Martin Buber en Emmanuel Levinas. Maar wat kan dat in de praktijk bijbrengen?
Heel veel. Ik denk dat veel conflicten zouden kunnen vermeden of opgelost worden door de andere te leren kennen. Als een persoon een andere persoon ontmoet dan zal zijn gedrag doorgaans anders zijn. Het personalisme betekent ook de aanvaarding van de gelijkwaardigheid van mensen, in plaats van te denken dat men superieur is. De ganse geschiedenis is gebaseerd op vormen van superioriteit, macht en vernedering.

De gelijkwaardigheid van de mens is ook een bijzonder liberaal principe. Wat is dan nog het verschil met het personalisme?
Dat verschil is niet zo groot. Het liberalisme is een zeer menselijke theorie. Maar zoals de Kerk een stuk van de magnifieke boodschap van Jezus Christus heeft verwoest, zoals de communisten het gedachtegoed van Marx hebben misbruikt, zo hebben neoliberalen een stuk van het liberalisme kapot gemaakt. Zo heb ik de christen-democratie verlaten omdat ze het personalisme heeft vergeten. Ook solidariteit is belangrijk, maar dat moet voor een stuk spontaan en chaotisch blijven. Veel solidariteit wordt dermate overdreven gereguleerd dat er van de spontaniteit niet veel meer overblijft. En met chaotisch bedoel ik dat niet alles kan voorzien zijn en worden. Ik geloof niet in dat determinisme dat alles gepland en voorzien kan worden. Solidariteit moet spontaan en chaotisch zijn, anders wordt het altruïsme verstikkend en destructief. Men moet opletten dat het gestructureerd altruïsme niet de echte menselijke betrokkenheid vernietigt. In andere landen bekijkt men dat zelfs als een vorm van neo-kolonialisme en neo-paternalisme. In feite heb ik mij altijd verzet tegen een overheersing van de methode op het hart. Als je teveel hart hebt zonder methode dan maak je ongelukken. Maar als je teveel methode hebt zonder hart dan ga je de mens verstikken en verdwijnt het spontane.

Dat mensen zich plots allemaal gaan bekommeren om de medemens lijkt me wel een utopische gedachte.
We moeten altijd een stuk droom en utopie in onze gedachtegang behouden. Zo kan je zeggen dat een wereldregering waarover we het hadden een utopie is, maar wie had ooit gedacht dat de Verenigde Naties zouden gevormd worden? Ondanks alle verschrikkingen die we in de vorige eeuw gekend hebben, blijf ik optimistisch. Ik geloof dat de mens met kleine stapjes en ondanks vele terugvallen er toch op vooruit gaat. De laiciteit heeft daarbij een heel belangrijke rol gespeeld.

Staat dat optimisme niet in schril contrast met het opkomende religieuze fanatisme van de laatste jaren?
Ik zie juist een enorme beweging vanuit de basis die bezig is de Kerk en zijn dogma’s te ontmantelen. Zoals het vrouwelijk priesterschap, de afschaffing van het celibaat, enzovoort. Ook die muur gaat omver vallen. De muur van de strikte dogma’s en het conservatief denken dat alles van God komt. Voor mij bestaat goddelijkheid, maar niet alles komt van God. Waarom heeft God dan de mens geschapen als hij er zo weinig belang aan hecht? Zelfs Christus heeft gezegd “God, waarom hebt ge mij verlaten?” Hij had ook geen zin om te sterven aan het kruis op zijn 33 jaar. Wat ik altijd zo spijtig heb gevonden is dat veel van die bijbelse teksten zo een mengsel zijn van een enorme naastenliefde maar ook van een enorme naastenhaat. Met een taal die zeer oorlogszuchtig is.

Die oorlogszucht lijkt wel aan belang te winnen in het islamfundamentalisme zoals we zagen bij de aanslagen van 11 september.
Die aanslagen zijn natuurlijk absoluut verwerpelijk en elk slachtoffer is te betreuren. Maar persoonlijk denk ik dat veel van die frustratie te wijten is aan de fundamentele onrechtvaardigheid die nog steeds bestaat tegenover de arme landen. Door de grotere zichtbaarheid en kennis van wat wij in het rijke westen hebben voelen velen zich daar uitgesloten en vernederd. Vaak krijgt die frustratie een religieuze dimensie. Het ergste is wanneer men dat gevoel van onrechtvaardigheid gaat confessionaliseren en de mensen aanzet om alles te herwinnen in naam van een God. En dan gebeuren zaken die regelrecht ingaan tegen enkele fundamentele waarden zoals het respect voor het leven en de mensenrechten.

Bedankt voor dit gesprek.

Overgenomen, met toestemming van de uitgever, uit Liberales

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons