Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

India's AziŽ-politiek

India is vast van plan uit te groeien tot hét machtscentrum in Zuid-Azië. Deze korte analyse traceert de fundamenten van Delhi’s regionale politiek en heeft daarbij oog voor politieke, economische en geopolitieke dynamieken. Er is sprake van een strategie die realpolitik combineert met een pragmatische economische diplomatie. India tracht eerst en vooral paal en perk te stellen aan de onrust in haar directe periferie. Tezelfdertijd tracht het aan economische invloed te winnen en China op een veilige afstand te houden. Topics: diplomatie en geopolitiek.

1. Inleiding
2. Het Indische subcontinent
3. Pakistan en Bangladesh
4. Dominantie
5. Indische Oceaan
6. Oostwaarts
7. China
8. Tweeslachtigheid
Noten en referenties

1. Inleiding

Terwijl de wereld met ingehouden adem gadeslaat hoe China behoedzaam de grenzen aftast van zijn regionale invloed, maakt India allerminst een geheim van haar ambities als Aziatische grootmacht. Dit jaar nog opent het land een permanente militaire basis in Tadzjikistan. India was de drijvende kracht achter de regimewissel in Nepal van 2006. Haar zeemacht wil uitgroeien tot de machtigste vloot in de Indische Oceaan. India streeft er ook naar om zijn economische superioriteit in Zuid Azië verder te versterken. India’s Azië-strategie bestrijkt een aantal concentrische sferen. Het land beschouwt zichzelf als het belangrijkste machtscentrum van Zuid-Azië. In deze regio voert New Delhi een zeer actief nabuurschapsbeleid dat is gericht op stabiliteit en een machtsoverwicht ten aanzien van externe grootmachten zoals China en de Verenigde Staten. India beschouwt dit gebied als een logistieke corridor naar Zuidoost- en Centraal Azië. Deze tweede zone is van toenemend belang voor de Indische economie. Tot slot is er China. De betrekkingen met de Volksrepubliek zijn het voorbije decennium aanzienlijk verbeterd; India blijft haar evenwel beschouwen als belangrijke concurrent.

2. Het Indische subcontinent

De geografische onstuimigheid heeft voor Azië een kleurrijke fysische kaart opgeleverd. Zonder te vervallen in aardrijkskundig determinisme, is het van belang deze constellatie in het achterhoofd te houden wanneer men het strategische landschap van de regio bestudeert. Het Indische subcontinent is een geografische entiteit op zich. Omsloten door bergketens, vormen de uitgestrekte riviervlaktes en plateaus een landtong die zich in de Indische Oceaan uitstrekt naar enkele nabije eilandengroepen. Sinds haar onafhankelijkheid in 1947 beschouwt India zich als machtscentrum van het subcontinent en als enige opvolger van de Britse Raj. ‘India is een centraal punt op de kaart van Azië,’ stelde Jawaharlal Nehru in 1949, ‘Onze leidinggevende rol mag dan niet door iedereen verwelkomd worden, we kunnen echter niet heen om de verantwoordelijkheden die voortkomen uit onze geografische ligging en geschiedenis.’ (1) Deze ambitie werd echter aanzienlijk gefnuikt door de secessie van Pakistan (1946). Andere staten weigerden zich aan de Indische invloed over te geven. Herhaaldelijk hebben landen zoals Bangladesh, Bhutan, Nepal, Sri Lanka en de Malediven de banden met grootmachten buiten de regio aangehaald om de oncomfortabele afhankelijkheid van New Delhi in te perken.

Naast geopolitieke en historische argumenten staan er voor India tal van andere belangen op het spel. Om te beginnen zal de economische ontwikkeling van het land grotendeels afhangen van de stabiliteit in de periferie. Herhaaldelijk zijn aangrenzende staten een schuiloord gebleken voor terroristische organisaties en verzetsbewegingen. Pakistan is bijvoorbeeld de uitvalsbasis van islamterreur die de Indische samenleving verschillende keren hard heeft getroffen. De verzetsbeweging van de Naxalieten, thans actief in zeven Indische deelstaten, onderhoudt banden met de Maoïstische rebellen in Nepal. Bangladesh en Bhutan zijn bolwerken van verzetsorganisaties die het noordoosten van India teisteren. ‘Deze grensoverschrijdende terreur vormt een blijvende bedreiging voor ons investeringsklimaat,’ zo stelde Buddhadeb Bhattacharjee de ministerpresident van West Bengalen.(2) India’s periferie vervult eveneens een vitale rol in de ontsluiting naar Aziatische afzetmarkten. New Delhi mikt steeds meer op de Zuidoost Aziatische landen als exportmarkt, vooral voor ingesloten noordoostelijke deelstaten zoals Assam. Het transport van goederen wordt echter onveilig gemaakt door het geweld en de criminaliteit in de naburige staten Bangladesh en Myanmar. Dit geldt ook voor de onveiligheid op zee. De Arabische Zee en de Golf van Bengalen zijn de maritieme slagaders van de Indische economie, maar piraterij blijft er hoogtij vieren. Deze onveiligheid in de periferie brengt ook het energiebeleid in de problemen. India’s stijgende verbruik van aardolie en –gas maken het in toenemende mate afhankelijk van buitenlandse bevoorrading. In 2006 liep India een belangrijk gasontginningsproject mis in Myanmar omdat onderhandelingen met Dacca over de bouw van een pijpleiding te lang aansleepten. In het westen bestaat een soortgelijk probleem met Pakistan. De Indische overheid doelt al jaren op gaspijpleidingen naar Turkmenistan en Iran, maar er bestaat onvoldoende vertrouwen in Pakistan als transitland.

De huidige Indische nabuurschapspolitiek is gebouwd op drie pijlers. Het vermijden van aanvaringen met buurlanden, al dan niet door toedoen van andere grootmachten, staat nog steeds centraal. Daarnaast tracht New Delhi te voorkomen dat gewapend verzet en terreur zich verplaatsten via de poreuze landsgrenzen. Verder wil India ook haar economische dominantie versterken. De diplomatie varieert echter van land tot land. India gaat uit van een regionale machtspiramide. Daarin posteert het zichzelf nadrukkelijk aan de top. Op het tweede niveau situeren zich Pakistan en Bangladesh: twee landen met voldoende economische en politieke slagkracht om een autonome koers te varen. Op de derde plaats volgen de kleinere staten Sri Lanka, Nepal, Bhutan en de Malediven.

3. Pakistan en Bangladesh

Het Indische beleid ten aanzien van Pakistan is geëvolueerd van afschrikking naar pacificatie en engagement. De experimenten met kernwapens van 1998 en 1999 hebben beide landen ervan overtuigd dat een open oorlog niet langer tot de opties behoort. Onder de nucleaire paraplu heeft zich echter een andere dreiging gemanifesteerd: die van het grensoverschrijdende terrorisme en binnenlandse onbestuurbaarheid. Voor de meeste Indische veiligheidsanalisten vormt Pakistan thans veeleer een corridor voor terroristen als een militair bolwerk. New Delhi houdt er dan ook steeds meer rekening mee geconfronteerd te zullen worden met een gefaalde staat dan met een georganiseerde pantserdivisie in de Indusvlakte. Los van de veranderende dreigingperceptie erkent de Indische overheid dat de obsessie met Pakistan een blok aan het been is van de economische diplomatie.(3) Ook al ligt de kwestie moeilijk bij de Indische publieke opinie, New Delhi heeft zich de voorbije jaren ingespannen om een aantal conflicten te temperen. In Kasjmir werden belangrijke stappen gezet naar pacificatie. De huidige grens (LOC) die de het betwiste gebied in twee deelt, werd in 2005 geopend voor civiel transport en toerisme. In 2006 kwamen beide landen overeen geen bijkomende militaire kampementen op te slaan aan de LOC. Naast deze vertrouwenwekkende maatregelen wordt sinds 2004 opnieuw gesproken over de finale status van Kasjmir. De Indische premier Manmohan Singh verklaarde reeds dat hij ernaar zou streven de LOC ‘irrelevant’ te maken. Hoewel terzake nog nauwelijks concrete vooruitgang werd geboekt, heeft India duidelijk afstand gedaan van de starre overtuiging dat er over de demarcatie niet te onderhandelen valt. Voor wat Kasjmir betreft, wensen India en Pakistan de zaak eerst te laten bekoelen alvorens fundamentele beslissingen te nemen. De twee landen zijn het er echter over eens dat de territoriale patstelling niet mag verhinderen vooruitgang te boeken in andere dossiers. Als gevolg van deze ontkoppeling werd er in 2007 een antiterrorismemechanisme opgericht en wordt er sindsdien ook informatie uitgewisseld om nucleaire incidenten te vermijden. Sinds 2004 buigt een gezamenlijke studiegroep zich over de mogelijkheid om de bilaterale handel te verdrievoudigen tegen 2010. Er wordt tevens gezocht naar de nodige veiligheidsgaranties om alsnog een gaspijpleiding aan te leggen die India via Pakistan verbindt met Centraal Azië.(4)

Ook in Bangladesh concentreert India zich thans voornamelijk op de toenemende interne instabiliteit. Weliswaar wordt er op geregelde tijdstippen bericht over de toenemende economische, diplomatieke en militaire aanwezigheid van China in dat land; New Delhi aanziet het aanhoudende interne geweld en de politieke onrust als het belangrijkste obstakel voor de economische ontwikkeling van het noordoosten van India. In tegenstelling tot Pakistan, acht India het mogelijk om Bangladesh in politieke en economische quarantaine te plaatsen. Sinds 2001 worden er jaarlijks honderden kilometers prikkeldraad getrokken om vluchtelingen en verzetsstrijders de pas af te snijden New Delhi lijkt voorlopig ook de plannen te hebben opgeborgen om Bangladesh te gebruiken als passage naar Zuidoost Azië. In plaats daarvan wordt geïnvesteerd in transportinfrastructuur die West Bengalen via een smalle corridor verbindt met Meghalaya en verder met Myanmar. ‘Voorlopig hebben we géén vat op de situatie in het land,’ zo vatte Shyram Saran, de speciale gezant van de Indiase premier samen, ‘onze samenwerking zal van de interne politieke evolutie afhangen.’(5)

4. Dominantie

In de derde categorie buurlanden heeft India een traditie als dominante macht. Vlak na de Indische onafhankelijkheid werden met Nepal en Bhutan vriendschapsverdragen afgesloten die de suprematie van New Delhi erkenden. De twee geïsoleerde bergstaten kregen de toelating handel te drijven via het Indische grondgebied. In ruil daarvoor erkenden Nepal en Bhutan hun zuidelijke buurland als enige diplomatieke partner. Artikel 2 van het vriendschapsverdrag met Bhutan (1949) bijvoorbeeld stelt dat het land ‘zich in zijn buitenlandse politieke zal laten leiden door het advies van de Indische overheid’. Artikel 5 van het partnerschap met Nepal (1950) beschrijft India als hoeder van de Nepalese soevereiniteit. In het geval van de Malediven en Sri Lanka werden dergelijke documenten niet ondertekend, maar bestonden eveneens stilzwijgende overeenkomsten die hen ervan moesten weerhouden af te drijven naar andere grootmachten. Zo ging India ervan uit dat de diepzeehavens van Male en Trincomalee niet werden opengesteld als militaire ankerplaats voor vreemde vloten. In 1987 intervenieerde het Indische leger in Sri Lanka om te voorkomen dat de burgeroorlog zou overslaan naar Tamil Nadu, waar de Tamil-bevolking zich identificeerde met het lot van de Tamil-minderheid op het naburige eiland. Een jaar later sloegen troepen een muiterij neer die gericht was tegen de India-gezinde president.

Sinds de jaren negentig heeft India deze ostentatieve dominantie getemperd. In Nepal en Bhutan werden de vriendschapsverdragen het mikpunt van zware kritiek. De Nepalese Maoïstische rebellen maakten de gewapende strijd tegen het vermeende Indische imperialisme tot een speerpunt van hun verzet. De Chinese poging om zich via militaire steun, economische hulp en nieuwe logistieke verbindingen in te kopen in de lokale politieke elite, dreigde Katmandoe verder van India los te weken. Ook de Bhutanese regering stelde zich steeds assertiever op. In 1998 ondertekenden Bhutan en China een grensverdrag zonder het ‘advies’ van India. In 2000 streek de ministaat India tegen de haren in door een ereconsulaat te openen in Macao. Sri Lanka en de Malediven konden dan weer rekenen op toenemende steun van de Verenigde Staten.

Thans tracht India zijn greep op deze landen opnieuw te verstevigen door een indrukwekkend charmeoffensief. Om te beginnen, werden in 2006 en 2007 de vriendschapsverdragen met Nepal en Bhutan ontdaan van de paternalistische clausules. Ten tweede investeert India meer in allerhande hulpprojecten. In 2006 werd voor 218 miljoen USD steun aan Nepal toegezegd. Na de vernietigende tsunami in 2004 leverde India voor naar schatting 5 miljoen USD humanitaire hulp aan Sri Lanka en de Malediven. New Delhi financiert jaarlijks meer dan de helft van de Bhutanese begroting. Ten derde vergroot het de afhankelijkheid van deze landen via overheidsleningen. In 2006 leverde India 350 miljoen USD aan kredieten aan Sri Lanka voor de aankoop van Indische consumptiegoederen, brandstof en de heraanleg van transportinfrastructuur. Nepal mocht rekenen op meer dan 100 miljoen USD aan overheidsleningen. Een vierde hefboom betreft de levering van energie. Nu reeds voorzien Indische overheidsbedrijven in het overgrote deel van het energieverbruik van Nepal en Bhutan. In 2005 kondigde New Delhi aan een nieuwe oliepijpleiding en elektriciteitsnetwerken aan te zullen leggen richting Katmandoe en te investeren in de opwekking van waterkrachtenergie in Bhutan.(6) Begin 2007 werden de plannen ontrold om elektriciteitsleiding te trekken naar Sri-Lanka. Verder wordt ook de militaire samenwerking verstevigd. Jaarlijks worden meer dan honderd officieren uit Nepal, Bhutan en Sri Lanka gevormd in Indische defensieacademies. In Bhutan is een permanent trainingsteam (IMTRAT) gevestigd en wordt gezamenlijk jacht gemaakt op Indische opstandelingen van het United Liberation Front of Assam (ULFA). India is tevens een belangrijke wapenleverancier. In 2006, na de machtsgreep van koning Ghyanendra, hervatte het de bevoorrading van het Nepalese leger. Ondanks kritiek in het parlement keurde de regering een aantal wapenleveringen aan Sri Lanka goed. In 2001 werd een snelle-aanvalsboot geleverd aan de Malediven.


Kaart 1. India’s militaire ontplooiing in de Indische Oceaan

5. Indische Oceaan

‘De geschiedenis heeft aangetoond’, zo stelde India Jawaharlal Nehru, ‘dat wie de Indische Oceaan controleert, beslist over India’s maritieme handel en automatisch ook over India’s afhankelijkheid.’ De afgelopen jaren heeft de Indische regering aanzienlijk geïnvesteerd om van de Indische Oceaan opnieuw een ‘Indisch meer’ te maken. In de maritieme strategie van 2003 primeren de mercantiele belangen. 92 Procent van India’s export wordt via de zee verscheept. De Arabische Zee vormt de belangrijkste corridor voor olieaanvoer. In India’s Exclusieve Economische Zone (EEZ) werden olie, gas en kostbare ertsen aangetroffen. Naast de economische aspiraties heeft New Delhi lessen geleerd over de politieke impact van sea power. Tijdens de Kargiloorlog in 1999, het meest recente treffen met het Pakistaanse leger, had de Indische marine er succesvol mee gedreigd de bevoorrading via de haven van Karachi af te snijden. Tot slot blijft ook de Amerikaanse en Chinese maritieme ontplooiing prominent aanwezig in de strategische plannen van de Indische zeemacht. Thans wordt vooral de snelle modernisering van de Chinese zeemacht met argusogen gevolgd. Hooggeplaatste Indische officieren en prominente veiligheidsanalisten hebben meermaals benadrukt dat China de capaciteit wil opbouwen om de maritieme bevoorradingsroutes naar de Golfregio en Afrika zelf te beveiligen.

De recente wederuitrusting van India’s zeemacht is indrukwekkend. Tussen 1997 en 2006 verdubbelde het jaarlijkse budget voor de marine van 0,8 naar 3,4 miljard USD. Tussen 2000 en 2007 kwamen drie nieuwe fregatten en vier nieuwe onderzeebootkruisers en een aantal ondersteuningsschepen in de vaart. Het huidige orderboek van de marine telt nog eens drie fregatten, 12 onderzeebootkruisers, twee vliegdekschepen, 14 conventionele onderzeeërs en verschillende andere vaartuigen. Twee nagelnieuwe marinehavens zullen de uitgebreide vloot een thuisbasis bieden. Maar de Indische zeemacht werpt ook elders een anker uit. In 2001 werd een kwartier geopend op een van de Andamaneilanden, nabij de strategische zeestraat van Mallacca. De Indische marine staat grotendeels in voor de veiligheid in de territoriale wateren van de archipelstaten Mauritius, de Seychellen en de Malediven. Met Oman, Mozambique en Sri Lanka werden vergaande samenwerkingsovereenkomsten getekend. Tijdens een Afrikaanse top van 2003 in Maputo patrouilleerden Indische fregatten in voor de Mozambikaanse kust. In 2006 opende de marine een observatiepost in het noorden van Madagaskar en naar verluidt wordt onderhandeld over een nieuwe installatie op de Malediven.

6. Oostwaarts

‘India moet zijn economische zelfgenoegzaamheid inruilen voor een open handelsbeleid dat gericht is op de wereld.’ Het huidige Indische Vijfjarenplan (2002-2007) is duidelijk: India moet af van haar ‘swadeshi’. Autarkie is steeds het adagium geweest van de Indische economie. De impact daarvan is duidelijk: afgezien van een kleine hoogtechnologische dienstverlenende sector blijven de landbouw en de informele handel het grootste deel van de binnenlandse productiviteit vertegenwoordigen. Dit schept het beeld van een samenleving met een groot wetenschappelijk potentieel en een omvangrijke middenstand. Desondanks ligt het werkloosheids- en armoedepeil er aanzienlijk hoger dan in bijvoorbeeld China. Meer nog, de snel uitdijende bevolking stelt de Indische overheid voor de uitdaging om tegen 2045 meer dan 300 miljoen nieuwe banen te scheppen. Net zoals de Volksrepubliek China in de jaren tachtig, hoopt India nu zijn demografische potentieel op de internationale markt te valideren, buitenlandse investeerders aan te trekken en te evolueren tot een stabiele en welvarende handelsnatie.

Bijgevolg is de commerciële diplomatie geëvolueerd tot een kerntaak van de Indische Foreign Service. De Oostwaartspolitiek van premier Narasimha Rao gaf het startschot voor een economische toenadering tot de associatie van Zuidoost Aziatische landen (Asean). De Asean, inmiddels uitgegroeid tot Azië’s grootste handelsblok, is voor India de belangrijkste potentiële bron van investeringen en geldt tevens als een lucratieve afzetmarkt. De Asean vormt eveneens een vitale schakel naar investeerders uit Japan en de Verenigde Staten. Sinds 2002 voert New Delhi onderhandelingen voor een vrijhandelsverdrag. Besprekingen lopen echter zeer stroef, vooral omdat India niet kan ingaan op de eis om de landbouwmarkt te openen. Het is er zich ook van bewust geworden dat teveel vrijhandel een bedreiging kan vormen voor de binnenlandse industrie, gezien de secundaire sector van landen zoals Maleisië en Thailand aanzienlijk beter ontwikkeld is. India spoort dus aan op een zeer selectieve liberalisering. Dat verklaart waarom New Delhi eveneens investeert in andere economische partnerschappen. Zo speelt het een voortrekkersrol in de voorbereiding van een vrijhandelsverdrag voor Zuid Azië (Safta).(7) Binnen deze verdragszone is de Indiase economie wél dominant en vertegenwoordigt het 77 procent van de intra-regionale handel. Hetzelfde geldt voor de Bimstec, een economische associatie van zeven Zuid en Zuidoost Aziatische staten waar India 63.5 van de handel vertegenwoordigt. (8) Gelijktijdig probeert India de geïndustrialiseerde landen in Zuidoost Azië alsnog via selectieve bilaterale vrijhandelshandelsverdragen aan zich te binden. New Delhi is vastberaden in zijn Oostwaartse offensief, maar is zich eveneens bewust van zijn zwaktes. ‘We moeten eerst gaan om te kunnen rennen,’ zo stelde minister voor industrie Kamal Nath.

7. China

Na de Pakistan en de Verenigde Staten blijft China het brandpunt van de Indiase diplomatie. Hoewel ook Japan een prominente positie inneemt in het buitenlandse beleid, blijft dit vooral een zaak van handel en een beperkte militaire interactie. De Volksrepubliek daarentegen stelt India voor tal van uitdagingen, zowel op het economische als op het strategische vlak. In 1998 werden de betrekkingen tussen China en India zwaar op de proef gesteld. De Indische regering liet een aantal proeven met kernwapens uitvoeren en gaf expliciet te kennen dat deze in eerste instantie gericht waren tegen de noordelijke buurstaat. Nadien zijn de verhoudingen tussen beide landen aanzienlijk verbeterd. Ieder jaar wordt wel enkele keren de rode loper uitgerold voor een ministerieel bezoek. Na decennia van discussie heeft Delhi in 2003 officieel erkend dat China de soevereine controle uitoefent over Tibet. Peking van zijn kant bevestigde dat het ministaatje Sikkim deel uitmaakt van India. In 2003 werden twee officiële vertegenwoordigers aangesteld met een uitgebreid mandaat om het geschil over de afbakening grenzen te beëindigen. Aan de grensovergangen werden de zwaar bewapende legereenheden teruggetrokken en wordt opnieuw handel gedreven. Economie lijkt trouwens een belangrijke drijfveer van de nieuwe toenadering. Tegen 2010 willen beide landen hun bilaterale handel verdubbelen tot 40 miljard USD. Toch is voor veel Indiërs het water nog te diep. Tal van opiniepeilingen bevestigen dat de Indische publieke opinie de Chinese groei blijft beschouwen als belangrijke dreiging. Tijdens het staatsbezoek van de Chinese president Hu Jintao vorig jaar rakelden talrijke populaire kranten en internetfora herinneringen op aan de Chinese invasie van 1962. In de Lok Sabha, het Indische lagerhuis, werd de regering herhaaldelijk verweten zich te zwak op te stellen in de onderhandelingen met China over de demarcatie. Het leger blijft in zijn strategische plannen wijzen op de snelle herbewapening van de Volksrepubliek en maakt zich openlijk zorgen over de toenemende Chinese militaire aanwezigheid in India’s buurlanden. Evenmin wordt de economische euforie door iedereen gedeeld. De diplomatie ten aanzien van China wordt getypeerd door diplomatieke schizofrenie. De regering toont zich bereid om de betrekkingen met de Volksrepubliek verder op te krikken, maar wordt daarin gecontesteerd door tal van invloedrijke belangengroepen. Dit verklaart grotendeels waarom India en China er ondanks alle diplomatieke inspanningen na twintig jaar nog steeds niet in geslaagd zijn het grensconflict definitief op te lossen.

8. Tweeslachtigheid

Tweeslachtigheid is wellicht het meest uitgesproken kenmerk van India’s Azië-politiek tout court. Ondanks de toegenomen interesse om conflicten van de baan te ruimen en over te gaan tot de economische orde van de dag, blijft wantrouwen de onderstroom bepalen van het regionale beleid. Vast staat dat India zijn invloed in Azië aanzienlijk wenst te versterken. De wijze waarop dat in de toekomst zal gebeuren, onder de banier van vrijhandel of van realpolitik, zal grotendeels afhangen van de mate waarin het land zijn binnenlandse modernisering weet te versnellen. De beleidsmakers in New Delhi meten India thans de identiteit aan van een dynamische handelsnatie. Deze profilering is echter problematisch, gezien de Indiase regering nauwelijks in staat blijft om de economie te ontdoen van de talrijke protectionistische barrières. Indien deze obstakels niet overwonnen worden, staat niets een terugkeer naar negatief nationalisme in de weg en dreigt vooral de interactie met China te ontaarden in een ongebreidelde machtswedloop.

Auteur: Jonathan Holslag

Noten en referenties:
Dit artikel is gebaseerd op een te verschijnen boek over de betrekkingen tussen China en India en de impact daarvan op Azië.
1 Geciteerd in: Brecher, Michael (1959), Nehru: A Political Biography, Oxford University Press, London, p. 227.
2 Geciteerd in: Chief Minister calls for more efforts to curb unrest, The Telegraph, 15 January 2007.
3 Trade should be linked to normalisation with India and not resolution of Kashmir, Daily Times, Pakistan, 20 juli 2006.
4 Pandia, S. (2006), Energy trade as a confidence-building measure between India and Pakistan. A study of the Indo-Iran trans-Pakistan pipeline project, Contemporary South Asia, vol. 14 (3), pp. 307-320.
5 Interview met Shyram Saran, Brussel, 24 april 2007.
6 Sasi, Anil (2006), Power corridor with Nepal on cards, Hindu Business Line, 19 januari 2007.
7 Leden zijn: Bangladesh, Bhutan, India, Malediven, Nepal, Pakistan and Sri Lanka.
8 Lidstaten: Bangladesh, Bhutan, India, Myanmar, Nepal, Sri Lanka and Thailand. Zie: Yahya, Faizal (2005), BIMSTEC and emerging patterns of Asian regional and interregional cooperation, Australian Journal of Political Science, vol.

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons