Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

Staat en civil society: onafscheidelijke partners.

Het debat over de verhouding tussen de staat en de civil society, of de samenleving, is er één zonder einde. Hoewel enkele decennia geleden nog gepleit werd voor een versterking van de staat, is de aandacht tegenwoordig verschoven naar de mogelijkheden en verdiensten van de civil society (Evans e.a., 1985;Putnam, 1993 en 1995). Het is een steeds terugkerend fenomeen dat men de kwaliteiten van de civil society en de mogelijke rol van sociale actoren in het tot stand brengen en uitvoeren van een politiek beleid, meer benadrukt op momenten dat de staat in diskrediet komt. Pleidooien voor minder staat zijn dan ook geen vreemd gegeven (Verleyen, 1987). Hierbij maakt men vaak de vergissing uit te gaan van een nauwkeurig te trekken grens tussen de privé en de publieke sector (Huyse, 2003: 99).
Deze misvatting verhelderen, en dus een beeld schetsen van de mogelijke relaties tussen de staat en de civil society, is de rode draad doorheen dit verhelderende werkstuk.

De Staat

De staat in evolutie

De staat heeft in de loop van de geschiedenis een ware transformatie doorgemaakt. Met de toename van het aantal bevoegdheden veranderde ook het karakter van de staat. In wat volgt geef ik een kort overzicht van deze evolutie op basis van Dryzek e.a.(2002).

De staat had oorspronkelijk drie kerntaken: zorgen voor interne orde, zich handhaven op internationaal niveau en inkomsten genereren voor deze eerste twee taken. Het vervullen van deze taken was noodzakelijk voor stabiliteit binnen en het voortbestaan van de staat.
Met de komst van het kapitalisme kwam er een vierde verplichting bij, die een bijdrage leverde tot de interne orde en het voortbrengen van inkomsten: het verzekeren van economische groei. De staat ontwikkelde zich tot een liberale, kapitalistische staat en de bourgeoisie of de middenstanders werden opgenomen in het constitutioneel raamwerk van de staat. Dit was mogelijk omdat zowel de staat als de middenstand tot doel had (economische) winst te maken. De komst van het kapitalisme gaf aanleiding tot het ontstaan van een georganiseerde arbeidersklasse, die bescherming eiste tegen de uitwassen van het kapitalisme en de klassenongelijkheid. Dit zorgde voor de komst van een vijfde staatsverplichting: de creatie van een welvaartstaat en dus voor herverdeling zorgen. De opname van vertegenwoordigers van de arbeidersklasse in overlegorganen was nu ook een feit. Deze vijf verplichtingen vormen de kerntaken van de politieke overheid. Een mogelijke nieuwkomer zou milieubescherming kunnen zijn, maar de successen van milieuactivisten hieromtrent zijn voorlopig beperkt (Dryzek, 1996: 480).

Ook het terrein waarop belangrijke politieke beslissingen genomen worden is veranderd (Huyse, 2003: 109-111). Dit gebeurt nu op het niveau van supranationale instellingen en binnen een steeds groeiend corporatief circuit. Dit is volgens de Franse politicoloog Duverger noodzakelijk, omdat het klassieke nationale politiek bestel niet voldoende uitgerust is om te onderhandelen met de huidige grote, onderling verbonden multinationals. Dit corporatisme vinden we echter niet overal terug, het is dan ook slechts een van de mogelijke opstellingen van de staat.

Vier classificaties

In de verhouding tussen de staat en de civil society kunnen we vier modellen onderscheiden (Dryzek e.a., 2002). Deze classificatie komt tot stand op basis van twee dimensies: inclusief of exclusief en actief of passief. Mogen alle groepen gerepresenteerd worden op overheidsniveau (inclusief) of slechts enkele (exclusief)? Tracht men het ontstaan en de capaciteiten van bepaalde groepen te beïnvloeden (actief) of laat men de sociale actoren in de samenleving volledig vrij (passief)?

Wanneer we alle mogelijke combinaties van deze twee dimensies maken komen we tot vier modellen.
Pluralisme, of een passieve inclusieve staat, treffen we aan in o.a. de Verenigde Staten van Amerika. Er zijn verscheidene toegangspunten voor belangengroepen tot de staat, die geen enkele invloed uitoefent op de mix van groepen en sociale bewegingen die in de samenleving ontstaat.
Een actieve inclusieve staat kan het best omschreven worden als een vorm van “uitgebreid corporatisme. Dit vinden we onder meer terug in Noorwegen. De overheid probeert het door haar gewenste patroon van belangenvertegenwoordiging in overlegorganen te verkrijgen door de toegang van groepen tot de staat te controleren en bepaalde initiatieven te steunen. Men noemt dit uitgebreid corporatisme aangezien naast de klassieke organisaties van werkgevers en arbeiders ook andere groepen zoals o.a. de vrouwen- en de milieubeweging mee aan tafel zitten.
Traditioneel corporatisme vinden we terug in een staat die passief en exclusief is, bijvoorbeeld Duitsland. Enkel de werkgevers en arbeiders zijn hier vertegenwoordigd in overlegorganen. Andere organisaties hebben geen toegang tot de staat, maar kunnen zich wel volledig vrij en zonder overheidstussenkomst in de samenleving ontwikkelen.
Dit is niet het geval in het vierde model van de actieve exclusieve staat. Hier verhindert de overheid de vorming en acties van ongewenste sociale bewegingen, vanuit de overtuiging dat zij schadelijk zijn voor de economie en het eigenbelang laten primeren op het algemeen belang. Het Verenigd Koninkrijk in de jaren 80 is hiervan een voorbeeld.

Institutionele factoren hebben een belangrijke invloed op de aard van de civil society. De invloed die bepaalde groepen binnen de samenleving op het beleid hebben, net als hun wijze van actievoeren en andere factoren, wordt mede hierdoor bepaald (Béland, 2001). Dit is een belangrijk gegeven, vermits dit element een cruciale rol speelt in het verklaren van de relatie tussen civil society en staat.

Civil Society

Op zoek naar een definitie

In de klassieke politieke filosofie vinden we twee verschillende visies op het concept civil society (Boyd, 1999: 476-470). De eerste stelt de civil society grotendeels gelijk aan de “politieke samenleving” en ziet dus geen echte scheiding. De “contract-theorie” staat bij hen centraal, en de belangrijkste vertegenwoordigers van deze stroming zijn Thomas Hobbes, Jean-Jacques Rousseau en John Locke. Volgens hen is een “politieke” verbinding tussen burger en de staat noodzakelijk om de civil society, die veel gebreken kent, te verbeteren.
Volgens de andere visie, die momenteel meer opgang maakt, is de civil society de tegenstelling van de staat of de “political society”, die enkel verplichtingen oplegt en voor onderdrukking zorgt, en moet zij volledig vrij zijn van politieke interventie (Ku, 2002: 534). De associaties die in de samenleving zonder politieke invloed tot stand komen, zoals familiebanden, samenwerkingsverbanden tussen ondernemingen en sociale bewegingen, zijn volgens hen natuurlijker, fundamenteler en waardevoller dan politieke verenigingen. Deze redenering vinden we o.a. terug bij Adam Smith en Thomas Paine.

Deze strikte scheiding van staat en civil society is zonder meer problematisch. We zullen dit duiden aan de hand van enkele voorbeelden.
Vooreerst is de definitie van burgerschap in deze context problematisch (Ku, 2002: 529-530).
Burgerschap komt neer op het feit dat men als lid van een natiestaat bepaalde rechten verplichtingen heeft. Als lid van een natiestaat is men anderzijds ook vanzelfsprekend deel van de civil society, die echter als een domein buiten de staat gedefinieerd wordt. De verschillende opstelling van de noties burgerschap en civil society ten opzichte van de staat maakt duidelijk dat het schoentje hier wringt, want een civil society zonder burgerschap kan natuurlijk niet.
Naast dit theoretisch argument kan iedereen vaststellen dat zich in de relatie tussen civil society en de staat een “demarcatieprobleem” stelt (Huyse, 2003: 99). Er is een soort schemerzone ontstaan, waarbij de staat participeert in ondernemingen en zich bezighoudt met de financiering van ziekenhuizen, scholen en sociaal-culturele instellingen die in feite tot de privé-sfeer behoren. Daarnaast nemen sommige privé-organisaties gemeenschapstaken over, zoals vakbonden die de vriesvergoeding van bouwvakkers uitkeren.
Het mag duidelijk zijn dat deze strikte scheiding geen werkbaar uitgangspunt is. Het model van de contract-theorie is dat echter ook niet, aangezien men moeilijk de relatie kan bepalen tussen twee quasi identieke zaken. We moeten dus op zoek gaan naar alternatieve, meer genuanceerde benaderingen.

Marxistisch perspectief

Binnen de marxistische traditie zijn staat en civil society nauw verwant, maar zeker niet quasi-identiek zoals bij vertegenwoordigers van de contracttheorie (Ku, 2002: 532-533). In deze visie is staatsinterventie gerechtvaardigd indien zij als doel heeft ongelijkheden en onrechtvaardigheden in de samenleving te bestrijden, of indien de staat optreedt als beschermer van het algemeen belang. Marxisten geven de staat een brede vergunning voor interventie. Voor Marx en Engels is de werking van staat en civil society bepaald door de kapitalistische economische logica en houdt de staat als gevolg hiervan de burgerlijke samenleving van klassenongelijkheid in stand. De staat kan volgens hen dan ook niet voor sociale verandering zorgen.
Gramsci nuanceert deze theorie door te wijzen op het belang van niet-economische krachten in het sociale leven. Onder invloed van hem zien hedendaagse marxisten de civil society meer als bemiddelaar tussen de staat en de economie, ze speelt volgens hen een meer complexe rol dan Marx en Engels pretenderen.
Binnen het marxistisch perspectief heeft men echter geen aandacht voor de gevaren die uitgaan van een almachtige staat, die steeds nieuwe en minder zichtbare technieken van controle en toezicht kan ontwikkelen (Foucault, 1991). Daarnaast zorgt de beklemtoning van de economische logica ervoor dat men te weinig aandacht besteedt aan het onderscheid tussen staat en civil society, democratische en niet-democratische regimes en de verschillende vormen van machtsuitoefening.

Zowel het klassieke marxistische model als de traditionele liberale filosofie hebben hun gebreken. In het vervolg van deze tekst gaan we op zoek naar een andere, meer genuanceerde benadering. Deze moet zowel de specifieke verdiensten van staat en civil society tot hun recht laten komen als hun onderlinge relatie beklemtonen.

Een ander liberalisme

Het liberalisme kent vele vertakkingen, en niet elke stroming ziet de civil society als tegenstelling van de staat (Boyd, 1999 :469-471). Voorbeelden hiervan zijn Hume en Mandevillle, die naast het feit dat ze de noodzakelijkheid van de overheid in vraag stellen ook bijzonder veel aandacht hebben voor bepaalde sociale relaties binnen de samenleving: de familie, de lokale gemeenschap, verbondenheid op vlak van religie en klasse,… Dit was een aspect van de samenleving waar Rousseau en Locke weinig aandacht aan besteedden. Ook Edmund Burke hechtte enorm veel belang aan deze sociale relaties. Deze concentrische cirkels van verwantschapsbanden zijn volgens hem essentieel om burgers in staat te stellen de abstracte politieke orde te ervaren. Hij ziet hen als: “the first link in the series by which we proceed towards a love to our country, and to mankind. To be attached to the subdivision, to love the little platoon we belong to in society, is the first principle (the germ as it were) of public affections” (Burke, 1790: paragraaf 75 on line). Deze sociale relaties zijn niet alleen een natuurlijk deel van de prepolitieke orde, maar ook belangrijk als buffer tegen tirannie. Zij vormen voor Burke de hoeksteen van een vrije samenleving.

Het pluralistische discours van Burke valt op, omdat in liberale kringen verenigingen en instellingen die zich tussen het individu en de staat bevonden meestal een negatieve connotatie hadden. Burke was een van de eerste om de afkeer van het klassieke liberalisme hiervoor, en hun voorkeur voor uitgesproken individualisme, in vraag te stellen. Burke maakte namelijk net als Tocqueville de vaststelling dat de moderne sociale omstandigheden, die onder meer ontstaan zijn door de democratische revolutie, zorgden voor een afbraak van het pluralisme en een weinig democratische centralisatie van staatsmacht. Burke is zich bewust van de gevaren die een doorgedreven individualisme met zich kan meebrengen en dit inspireert hem tot een pluralistisch discours, waarbij hij net als Tocqueville het belang van een sterk middenveld onder de aandacht brengt.

Het pluralisme van Burke is ook een pleidooi tegen despotisme. Enkel als de macht verdeeld en gedelegeerd wordt binnen de samenleving, of geconfronteerd wordt met een tegengewicht dat controle uitoefent, zoals een sterk middenveld, zal de vrijheid bewaard blijven. Burke maakt hier duidelijk dat vrijheid bepaalde constitutionele voorwaarden vereist.

In de praktijk zijn civil society en de staat dus vermengd (Ku, 2002: 534-535). Veel liberalen geloven dat de civil society zich slechts krachtig kan verdedigen tegen het gevaar van een al te machtige staat via politieke en gerechtelijke instellingen. Wettelijke en politieke instellingen die waken over het naleven van bepaalde rechten is noodzakelijk om een vrije en gelijke civil society tot stand te brengen. De zogenaamde “natuurlijke rechten van het individu”, waar in liberale theorieën vaak sprake van is, kunnen alleen maar tot stand komen als ze gecodeerd worden door wetboeken, en gehandhaafd en afgedwongen door de staat.

De civil society is in deze visie zowel een sfeer waarin sociale actoren vrij ageren als een plaats waar bepaalde, door de staat ingestelde, rechten en verplichtingen gelden. Hoe moeten beide actoren in deze complexe relatie nu met elkaar omgaan?

Een complexe relatie

Op zoek naar werkbare concepten

Het republikeinse concept van de relatie tussen staat en civil society opent mogelijkheden om deze complexe relatie vorm te geven (Novy en Leubolt, 2005: 2024). Dit concept is gebaseerd op het ideaal van de Griekse polis, waar burgers samenkwamen om gemeenschappelijke problemen te bespreken en op te lossen. De staat wordt in deze visie vorm gegeven via discussies onder burgers, er is dus geen sprake van een strikte scheiding.
Habermas hecht eveneens belang aan een sterke civil society. Zoals de burgerij in de 17de eeuw een tegenmacht vormde voor de vorst, zo moeten nu verschillende groeperingen in de samenleving tot een consensus komen en hun stem laten horen (Habermas, 1990). Het verschil met het republikeinse model is dat Habermas geen transfer van macht van de staat naar de civil society vraagt. Volgens hem heeft de civil society ook invloed op het beleid als er een krachtige en gemeenschappelijke publieke opinie naar boven komt omtrent bepaalde kwesties.
Een aantal auteurs hebben verder gebouwd op bovenstaande concepten (Ku, 2002: 532). Bij het bestuderen van de staat en de civil society hebben deze auteurs meer aandacht voor de participatie van burgers in het publieke leven, het maatschappelijk middenveld, sociale bewegingen,… (Tocqueville, 1840; Putnam, 1995). Zij zijn verdedigers van een sterke civil society, waarbij Tocqueville het accent legt op lokale participatie en een vrij verenigingsleven om een buffer tegen de staat te creëren, en Putnam een bloeiende civil society gunstig acht voor de opbouw van sociaal kapitaal en de ontwikkeling van de democratie. Ze hebben echter weinig aandacht voor de veelzijdigheid van conflictrelaties, samenwerkingsakkoorden en “checks en balances”, zowel binnen de civil society als tussen de civil society en de staat.(Ku, 2002: 535).

Het voorbeeld van Porto Alegre

Laten we even naar terugkeren naar het republikeinse model van hierboven. In Brazilie heeft men aan dit ideaalconcept een hedendaagse vertaling gegeven (Novy en Leubolt, 2005). In Porto Alegre, de hoofdstad van Rio Grande do Sul, heeft men onder de vorm van “participatory budgetting” sociale innovatie weten te realiseren in de context van stedelijke ontwikkeling.

Een woordje meer uitleg bij deze laatste zin is gepast. Sociale innovatie bereikt men via een aantal elementen: zorgen voor de bevrediging van basisbehoeften, de politieke participatie van achtergestelde groepen verhogen, middelen vrijmaken en mogelijkheden tot participatie vergroten om deze eerste twee doelstellingen te realiseren. “Participatory Budgetting” betekent dat de bevolking via een politieke partij of sociale groepen mee beslist over de verdeling van de beschikbare beleidsmiddelen.

In Brazilië zijn staat en civil society in grote mate met elkaar verweven. Er is hier sprake van een soort cliëntelisme: bepaalde groepen binnen de civil society maken deel uit van de staatsmacht, terwijl andere volledig uitgesloten worden. In de jaren 70 kwamen diverse bewegingen op lokaal niveau in opstand tegen deze autoritaire gang van zaken. Deze sociale bewegingen verenigden zich uiteindelijk in een politieke partij, de Partido dos Trabalhadoros (PT) of arbeiderspartij. Hun doelstelling was een democratisering van de staat, de economie en de samenleving. In dat opzicht volgen zij de theorie van Gramsci, die vanuit de civil society een sociale transformatie op gang wil brengen, door allerlei verenigingen en instellingen los van de staat op te bouwen, met als doel een einde te stellen aan de dominantie van de heersende machthebbers en het kapitalisme (Novy en Leubolt, 2005: 2024-2025). In zijn model spelen conflicten om de machtsuitoefening een belangrijke rol.

In Porto Alegre ontstonden in de jaren 70, voornamelijk in armere districten, verschillende buurtbewegingen die vonden dat hun belangen verwaarloosd werden in het beleid van de stad. Ze eisten investering in plaatselijke infrastructuur en diensten, en wensten meer mogelijkheden om buurtinitiatieven op te starten. Deze verschillende bewegingen werden samengebracht door de PT, en de eisen werden teruggebracht tot democratisering en het herzien van de begroting, waarbij meer aandacht moest gaan naar sociaal zwakke groepen bij de verdeling van de middelen.
Het resultaat van deze eisen was “participatory budgetting”, waarbij deze volksbeweging een plaats kreeg in het lokaal bestuur en mee mocht beslissen over de besteding van de middelen. Deze manier van werken werd jaarlijks geëvalueerd en kon steeds bijgestuurd worden. Het gevolg hiervan was dat het traditionele cliëntelisme plaats ruimde voor transparante discussies. Hoewel er ook negatieve kanten waren aan het systeem, de volksbeweging had bijvoorbeeld geen inspraak inzake bepaalde cruciale politieke kwesties, was het experiment overwegend positief vermits voorheen uitgesloten groepen nu op alle vlakken meer tot hun recht kwamen.

De verdiensten van het republikeinse model

Door “participatory budgetting” verdween de autoritaire relatie tussen het lokale bestuur en de plaatselijke samenleving. Men stelde een daling van cliëntelisme en corruptie vast. De politieke participatie, vooral van de lagere sociale klassen, kende een enorme stijging. Door mensen op lokaal niveau inspraak te geven leerden zij hun persoonlijke behoeften om te zetten in zaken van publiek belang. De knowhow van de sociale groepen op technisch en administratief vlak verhoogde door samenwerking met de overheid. Daarnaast was er als gevolg van de confrontatie met behoeften van anderen sprake van een grotere solidariteit onder burgers dan voorheen.
Particpatory budgetting kwam tot stand door samenwerking en consensus binnen een netwerk van organisaties en sociale bewegingen. Er ontstond een soort van “deliberative democracy”(overlegdemocratie), die echter niet naast de “political society” tot uiting kwam, maar ontwikkeld werd van binnen de staat. De civil society vormde hier geen eenheid tegen de staat, maar bracht een dialectische eenheid met de lokale overheid tot stand.
Momenteel wordt er geen vooruitgang meer geboekt, maar de veranderingen in de manier waarop de stad bestuurd wordt lijken blijvend te zijn.

Een andere invalshoek

Een andere, maar gelijkaardige manier om de relatie tussen civil society en staat te bekijken is het model van “associational democracy” (Bacarro, 2002). Hier worden staat en civil society gezien als samenstellende delen van één nieuw regelgevend geheel, wat van beiden hervormingen vereist.
Het centrale idee is dat de staat regulerende functies afvaardigt naar lokale groepen en verenigingen, die meer gedetailleerde kennis van bepaalde problemen en hun mogelijke oplossingen bezitten, meer mogelijkheden hebben inzake controle en aandacht hebben voor het algemeen belang. De staat is in dit model niet overbodig, maar krijgt wel nieuwe opdrachten. Naast het bepalen van de hoofddoelstellingen van het beleid selecteert zij de participerende sociale actoren en stimuleert ze de organisatie van ondervertegenwoordigde belangen. Daarnaast moet ze zorgen voor een goede verspreiding van informatie, opdat succesvolle methodes om bepaalde problemen aan te pakken ook elders kunnen worden toegepast. Zij behoudt echter het recht om zelf in te grijpen indien de zelfregulatie faalt.

Op weg naar een associational democracy

Om een associational democracy die naam waardig te realiseren, moeten de volgende drie voorwaarden vervuld zijn. Eerst moet de staat bepaalde beleidstaken afvaardigen naar lokale groepen en verenigingen. Vervolgens moet zij de vorming van overlegorganen tussen deze verschillende groepen in de samenleving stimuleren. De logische derde voorwaarde is dat de staat zelfregulatie alle kansen geeft om effectief te zijn, en dus niet meer zelf een antwoord wil geven op alle problemen. “Associationalism makes a central normative claim, that individual liberty and human welfare are both best served when as many of the affairs of society as possible are managed by voluntary and democratic self-governing associations” (Hirst, 1994: 19).

We zullen nu de eerste twee voorwaarden wat dieper uitwerken.
Het is verantwoord verschillende verenigingen delen van het beleid te laten uittekenen als zij de hiervoor noodzakelijke kwaliteiten, zoals o.a. een uitgebreide dossierkennis en degelijke organisatie, in huis hebben. Deze vaststelling wordt aan gevuld met het argument dat de meeste problemen tegenwoordig zo complex en veelzijdig zijn dat het cognitieve en administratieve vermogen van de bureaucratische overheid te beperkt is om deze kwesties zelfstandig op te lossen.
Er kunnen twee kanttekeningen gemaakt worden bij dit verhaal: hoe kan men een onvolledige representatie van belangen en het streven naar zelfbediening van groepen vermijden?
Een actieve rol van de staat is hier noodzakelijk. Zij moet ervoor zorgen dat alle belangen ongeveer gelijk vertegenwoordigd zijn in de samenleving en dus het ontstaan van bepaalde groeperingen stimuleren, zowel via financiële steun als met organisatorische knowhow. Het gevoelige aspect ligt in de selectie van de groepen die bepaalde taken op zich mogen nemen. Een mogelijk criterium kan de “maatschappelijke bijdrage” van de groep zijn (Huyse, 2003: 185-186). Maatschappelijk waardevolle groepen zijn “organisaties die via hun activiteiten in de behartiging van beroepsbelangen, het welzijns- en sociaal-cultureel werk de ontwikkeling van de democratische verzorgingsstaat bevorderen. Dat houdt in dat hun dienst en voorzieningen aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen en in hun werking respect tonen voor de fundamentele democratiecodes en rechtsbeginselen (rechtszekerheid en –gelijkheid, billijkheid, recht op beroep bij sancties).” Huyse beseft dat dit criterium onvolmaakt is en nog veel vragen oproept. De gevoeligheid van het onderwerp is hier natuurlijk niet vreemd aan.

Het instellen van overlegorganen lijkt op het eerste zicht minder problematisch. Kritiek hier echter is de manier waarop er overleg gepleegd wordt (Bacarro, 2002: 4-5). Doel is dat men in deze fora discussieert met fundamentele principes en het algemeen belang in het achterhoofd, en dat de uitkomst hiervan de collectieve keuze van de verschillende groepen is. Het gevaar is echter dat het overleg uitmondt in onderhandelen, waarbij dreigingen en beloften het halen van correct overleg.

De derde weg?

Een politieke variant op dit concept kan men herkennen in de zogenaamde “Derde Weg” (Botsman, 2004). Centrale doelstelling hier is het verbeteren van de gebrekkig werkende democratische instellingen. Sociale relaties hebben de afgelopen decennia ongelooflijke veranderingen doorgemaakt, en ook de verwachtingen van de burgers ten opzicht van de overheid zijn veranderd en gestegen. De conventionele politieke instellingen voldoen niet meer aan deze gewijzigde context. Tegelijk maakt men de vaststelling dat bedrijven, scholen en andere instellingen uit de samenleving over enorm veel kennis en macht beschikken, die hen ook in politiek opzicht heel belangrijk maakt. Deze instellingen moeten kritisch doorgelicht worden op democratisch vlak en verplicht worden hun maatschappelijke verantwoordelijkheid op te nemen. De belangrijkste verdienste van dit concept is misschien wel dat “it compels us to think about the time, space and energy that is devoted to discussions about the merits of leaders and power-brokers, when there are so many important ways in which our lives are shaped, that barely occupy our contemporary discussions and thoughts” (Botsman, 2004: 26).

Conclusie

Hoe moet de verhouding tussen staat en civil society er idealiter uitzien? Dat was de vraag die we stelden in het begin van deze paper. Een sluitend antwoord op deze vraag hebben we niet gekregen. Wat wel vaststaat, is dat staat en civil society onafscheidelijke partners zijn. Een civil society waarin vrijheid en gelijkheid heerst, is een illusie zonder de realisatie van bepaalde constitutionele voorwaarden. Er zijn verschillende mogelijkheden om deze relatie van verwevenheid politiek in te vullen. Wij hebben hier zowel het republikeinse model als dat van de “associative democracy” uitgewerkt. In Ierland heeft men dit laatste model met succes politiek vertaald (Bacarro, 2002). De politieke klasse daar is zich ook bewust van de nieuwe rol die staat moet spelen, getuige volgend citaat uit een officieel regeringsdocument, dat ook de kern van mijn betoog weergeeft.

“A strong democracy enhances and protects the capacity of citizens to participate directly in social life, create their own social movements to address issues that concern them and speak directly on issues that affect them. In a strong democracy people regard the State, not as the answer to every problem, or as the essential funder of every action, but as just one player among many other. All the others – the private sector, trade unions, religious organizations, non-governmental organizations, sporting organizations, local community and residents’ associations – have a pivotal role to play in our democratic life and in ensuring continued economic and social progress” (Government of Ireland, 2000: 32).

Bibliografie

Volgt



Redactie: Bert Fraussen

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons