Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

Dossier: Participatie als remedie: Op weg naar burgerschap via het middenveld

INLEIDING
"Government of the people, by the people and for the people", dat was het democratisch credo dat president Lincoln uitsprak in zijn Gettysburg Adress (Lincoln, 1863: on line). De concrete vertaling hiervan is momenteel onderhevig aan kritiek. De bevolking laat regelmatig haar ongenoegen blijken over de huidige gang van zaken binnen het politieke bestel (Dobbelaere, 2005). Hoe kan men deze vertrouwensbreuk ongedaan maken? Dat is de centrale vraag van deze lectuuropdracht, die ik zal uitwerken aan de hand van het concept burgerschap.
Ik schets hierbij kort de evolutie die het begrip heeft doorgemaakt, waarna ik op zoek ga na een nieuwe, hedendaagse invulling. De rode draad hierbij is hoe de participatie van burgers, zowel binnen de politieke scŤne als in het middenveld, gestimuleerd kan worden.

DE KLOOF ALS RESULTAAT VAN EEN VERANDERDE CONTEXT
Een groot deel van de burgers lijkt het vertrouwen in de politieke klasse verloren te zijn.Er is sprake van een "kloof tussen burger en politiek" en een "politieke vertrouwenscrisis" (Walgrave, 2000: 66-91). Veel burgers zijn wantrouwig geworden ten opzichte van de politieke klasse, vervreemd van politieke participatie en niet meer in staat tot identificatie met een politieke partij (Giddens, 1996: 68). Dit politiek wantrouwen dient wel genuanceerd te worden: het vertrouwen in het democratisch credo is onaangetast, het zijn de democratische instellingen die onder vuur liggen. Op de chronologie en verschillende dimensies van dit politiek wantrouwen ga ik hier niet verder in.

Een cocktail van diverse ingrediŽnten ligt aan de basis van deze verstoorde relatie (Fuchs en Klingeman, 1995: 435-438; Huyse, 2003: 318-319; Giddens, 1996: 65-80; Dalton, 1988: 225-244). Er is sprake van een "democratische transformatie", een verandering in de interactie tussen de politieke actoren en de bevolking. Vanaf de jaren 60 worden gewone burgers meer actief in het politiek proces, ze nemen een kritischere houding aan ten opzichte van de overheid en leggen zich minder vlug neer bij de gang van zaken. Eťn van de gevolgen hiervan is het ontstaan van allerlei sociale bewegingen en actiegroepen. Deze evolutie zorgt er samen met de opkomst van de massamedia voor dat politici meer rekening moeten houden met de mening van de burgers. Dit kadert in de opkomst van de overlegcultuur binnen heel de samenleving: burgers leggen zich niet meer zomaar neer bij een bureaucratische hiŽrarchie, waarbij regels en wetten van hogerhand worden opgelegd.
Naast de doorbraak van de overlegcultuur zet ook de individualisering zich verder door. De sociale netwerken, de broedplaatsen van sociaal vertrouwen waar mensen vaak met hun problemen terecht konden, verliezen hierdoor in omvang en kracht waardoor de maakbaarheid van de samenleving vermindert. Deze twee evoluties, de doorbraak van de overlegcultuur en de toenemende individualisering, zorgen er samen met de overgang van een industriŽle naar postindustriŽle samenleving voor dat de staat meer en nieuwe vragen van de burgers te verwerken krijgt. De nationale overheid beschikt echter niet over de capaciteit om voor al deze problemen een oplossing te vinden. Er heeft namelijk een emigratie van macht plaats gevonden in de richting van supranationale instellingen en multinationals.
Daarnaast is met de val van de muur in 1989 de oost-west-tegenstelling, die een bron van legitimatie was voor de westerse representatieve democratieŽn, verdwenen. Hierdoor wordt men kritischer ten opzichte van het functioneren van de democratie in het eigen land, die men gaat vergelijken met andere westerse representatieve democratieŽn in plaats van met dictatoriale regimes in Centraal- en Oost-Europa.
Niemand kan ontkennen dat de samenleving de afgelopen decennia enorm veranderd is. De politieke instellingen hebben echter relatief weinig wijzigingen ondergaan, en zijn niet aangepast aan de moderne maatschappij en de nieuwe houding van de bevolking.
In het vervolg van dit dossier ga ik na hoe men deze verstoorde relatie tussen burger en staat kan herstellen.

EEN KWESTIE VAN BURGERSCHAP
De notie burger dient genuanceerd te worden, het is een noodzakelijke vereenvoudiging. Burgers hebben immers allemaal een verschillende relatie met de staat en zijn op een andere manier politiek betrokken (Huyse 2000: 317).
Burgerschap wijst op lidmaatschap van een politieke gemeenschap, wat bepaalde privileges en plichten inhoudt, en het recht om aan de vorming van deze gemeenschap te participeren. Maar via deze rechten en plichten kan men ook mensen uitsluiten van participatie, wat er op wijst dat burgerschap ook te maken heeft met uitsluiting en grenzen kent (Wagner, 2004: 280). Het begrip geeft aan waarop de band tussen burger en politiek gebaseerd is. Burgerschap is geen onveranderlijk gegeven, het is een begrip dat voortdurend evolueert en zich aanpast aan veranderende omstandigheden.

Historische evolutie
Het begrip burgerschap werd op weg naar de 21ste eeuw geconfronteerd met verschillende maatschappelijke veranderingen en kende verschillende gedaanten (Wagner, 2004, Rees en Bulmer, 1996).

Het idee van burgerschap is ontstaan in de Griekse polis. Het idee was dat bepaalde leden van de samenleving het recht hadden samen te bepalen hoe de stadstaat bestuurd werd en dit beleid zelf uit te voeren. Daarna verdween het concept burgerschap naar de achtergrond, van de 5de eeuw voor Christus tot het einde van de 18de eeuw waren mensen afhankelijk van en onderworpen aan min of meer despotische heersers. Dit verandert in de 18de en 19de eeuw met het ontstaan van de moderne staat, en na 1945 ondergaat het begrip burgerschap een drastische verandering door de opkomst van de sociale welvaartstaat. Het ideaal van de Griekse polis was echter niet verloren gegaan, zo wordt het bijvoorbeeld opnieuw uitgewerkt in het Sociaal Contract (Rousseau, 1947: 15-16). Hij definieert een stad als een "politiek lichaam" waarin alle burgers recht hebben op participatie. Een samenleving is geen "samenvoeging" maar een "vereniging" van burgers, die als lid van een gemeenschap bepaalde rechten en plichten hebben.
Een ander persoon die zijn stempel drukte op het debat over burgerschap was T.H. Marshall. In "Citizenship en Social Class"(1950) beschrijft hij hoe het concept burgerschap in drie fasen is uitgebreid. In de 18de eeuw kwamen burgerlijke rechten, zoals de contractvrijheid en het recht op eigendom op de voorgrond. In de volgende eeuw werden deze rechten aangevuld met politieke rechten, zoals stemrecht. Het dient gezegd te worden dat in het begin enkel de burgerij, de betere klasse in de samenleving, gebruik kon maken van deze rechten. Tenslotte werd met de komst van de welvaartstaat het concept burgerschap aangevuld met sociale rechten. Volgens Marshall hadden deze sociale rechten, zoals het recht op sociale zekerheid en onderwijs, tot doel de klassenverschillen weg te werken (Marshall, 1950: 47). Maar sociale rechten treden soms in conflict met burgerlijke rechten: sociale rechtvaardigheid gaat namelijk ten koste van individuele vrijheid, en vereist dat de staat ingrijpt in de economie. Daarnaast kenden de uitgaven van de overheid, die evolueert naar een verzorgingstaat, een voortdurende groei die gepaard ging met belastingsverhogingen. Deze twee elementen zorgden ervoor dat het idee van de sociale welvaartstaat onder vuur werd genomen. Zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de diensten verstrekt door de staat kwam ter discussie te staan, en de vraag rees of de staat over genoeg capaciteit beschikte om deze sociale rechten voor iedereen te garanderen. Als reactie op de steeds groeiend vraag en kosten van de sociale welvaartstaat ging de overheid de levering van de publieke diensten herschikken, waardoor zaken als publiek-private samenwerking en decentralisering vanaf de jaren 90 meer en meer op de voorgrond kwamen.

De uitbreiding van burgerschap met sociale rechten had nog een ander gevolg. Politieke rechten waren vaak verbonden met een bepaalde nationaliteit. Door de sociale rechten werd burgerschap in zekere zin een economisch goed. Alle inwoners van een bepaald gebied, ongeacht hun nationaliteit, konden aanspraak maken op sociale rechten indien zij belastingen betaalden en het sociale systeem dus mee financierden.

Globale ontwikkelingen en burgerschap
De wereld wordt steeds meer ons dorp dankzij moderne communicatiemiddelen zoals het Internet. Daarnaast groeit de mobiliteit van arbeid en kapitaal wereldwijd en verdwijnen handelsbelemmeringen. De grootste verandering de afgelopen decennia is echter misschien wel de transformatie van de rol die de nationale staat speelt in het leven van de burgers. Deze gedaanteverandering werd veroorzaakt door de ontwikkeling van regionale handelsblokken (EU, NAFTA), de groeiende rol van internationale instellingen (WTO, UN, NATO), het groeiende netwerk van NGO's en de nieuwe normen en regels in verband met handel, mensenrechten en milieubescherming die aan internationale en multilaterale bestuurslichamen worden opgelegd (Norris, 2000: 155-156). Er is ook een groeiende bewustwording van het feit dat sommigen problemen niet op nationaal niveau opgelost kunnen worden en dat globale samenwerking dus noodzakelijk is (Newby, 1996; Wagner, 2004:284-286).
Zijn we ook op weg naar een burgerschap dat de nationale grenzen overschrijdt?

Men kan hierbij een onderscheid maken tussen transnationaal en kosmopolitisch burgerschap (Wagner, 2004: 284-286). Voorstanders van een kosmopolitisch burgerschap wensen de invoering van een reeks rechten en verplichtingen die van toepassing zijn op alle mensen over heel de wereld. Zij wensen ook de inrichting van globale gemeenschappen, die de internationale heterogeniteit weerspiegelen en via overleg naar oplossingen zoeken voor kwesties die de hele wereld aangaan. De grote vraag is echter of men een consensus kan bereiken over de concrete invulling van deze twee voornemens (Bulmer en Rees, 1996: 280).
Transnationaal burgerschap erkent de specifieke relatie tussen de burger en de nationale staat, maar wil dit nationaal burgerschap aanvullen. Burgers moeten in alle landen waarmee zij zich identificeren, bijvoorbeeld omdat zij er werken of omwille van culturele banden, van bepaalde rechten kunnen genieten. Een uitwerking van dit idee is de Europese Unie, al bepaalt hier de nationaliteit en niet het territorium of men in aanmerking komt voor EU-burgerschap.

Indien de huidige ontwikkelingen zich verder zetten, kan een gelaagd burgerschap de toekomst zijn, waarbij sprake is van rechten en verantwoordelijkheden op lokaal, binnenlands, Europees en mondiaal niveau (Alibhai-Brown, 2001:51).

Het is de taak van lokale en regionale overheden, solidariteitsgroepen en nationale zowel als internationale NGO's om samen met de vakbonden, het bedrijfsleven en de nationale overheden actief burgerschap te promoten, zowel binnen als buiten de nationale landsgrenzen (Wagner, 2004: 286). Deze actoren hebben de middelen om een nieuwe, hedendaagse invulling te geven aan burgerschap, die zowel van toepassing is op het nationale, het Europese als het mondiale niveau. In het vervolg van deze lectuuropdracht gaan ik na hoe deze invulling er concreet uitziet, waarbij we ons toespitsen op de participatie van burgers, zowel in het middenveld als op de politieke scŤne.

PARTICIPATIE ALS SLEUTEL
Een essentieel onderdeel van burgerschap is het recht om aan de vorming van een gemeenschap te participeren. Deze participatie kan verschillende vormen aannemen, waarbij we twee visies onderscheiden (Huyse, 2003: 325-326).

Er is het verticale perspectief, waarbij men zich concentreert op alles wat zich rechtstreeks tussen de overheid en de burger afspeelt. Mensen moeten zich volgens deze visie rechtstreeks kunnen uitspreken over het te voeren beleid.
Men kan ook de rol van het middenveld als verbinding tussen bevolking en politiek benadrukken. Dit is het horizontale perspectief op burgerschap, waarbij men mensen pas als volwaardige burgers beschouwt indien ze samen, via participatie in allerlei verenigingen en organisaties, bepalen hoe de maatschappij eruitziet. Volgens deze visie is het middenveld verantwoordelijk voor de integratie van individuen in de samenleving in het politieke leven.

Het verticaal perspectief
Het idee dat burgers zich rechtstreeks moeten kunnen uitspreken over staatszaken wordt in BelgiŽ vooral door de VLD verdedigd. Zo lezen we in de beginselverklaring van de partij: "Daarentegen moet de stem van de burgers zich rechtstreeks kunnen laten horen door grondwettelijk in te stellen referenda die bindend zijn en door hoorzittingen"(N., 1992: online; Verhofstadt, 2002: 31,32).
In Zwitserland en in de Verenigde Staten maken referenda een volwaardig deel uit van de democratie. Dit zijn echter uitzonderingen in de wereld. Hoewel bijna de helft van de EU- lidstaten een referendum organiseert over het Europees Grondwettelijk Verdrag overheerst scepticisme (Doornaert en Vanpeteghem, 2005: 9).

Hoewel recent onderzoek een aantal traditionele kritieken op initiatieven en referenda nuanceert, zoals de invloed van kapitaal en belangengroepen, blijft directe democratie een controversieel onderwerp (Matsusaka en Lupia, 2004; Uleri, 2002: 880-883). Men kan bedenkingen plaatsen bij de economische logica die het idee van directe democratie volgt(Huyse, 2003: 325). Men gaat namelijk een soort van marktdenken toepassen op het politieke proces en burgers beschouwen als politieke consumenten. De vraag is of de vergelijking van de politiek met de economische markt wel opgaat. De rol van discussie en overleg is immers een essentieel onderdeel van het politiek proces, en burgers hebben in tegenstelling tot consumenten verschillende belangen.

Het horizontaal perspectief
Mensen kunnen echter ook op een manier de samenleving vorm geven, namelijk via participatie aan organisaties en verenigingen. Volgens deze benadering is een krachtig en rijk middenveld een versterking van de democratie en de voedingsbodem van een burgercultuur(Huyse, 2003: 327).
De participatie aan het middenveld heeft talloze pluspunten. Burgers kunnen er ervaring opdoen in verband met zelfbestuur, informatie uitwisselen, discussiŽren en leren omgaan met conflicten, waarbij vaak een afweging gemaakt moet worden tussen persoonlijke voorkeuren en het groepsbelang. Deze organisaties zijn leveranciers van sociaal vertrouwen en leren mensen eigenbelang te verenigen met solidariteit. Daarnaast vormen ze kanalen waarlangs overheid en burgers met elkaar kunnen communiceren.

Een aanhanger van deze theorie was Alexis de Tocqueville (1840). Volgens hem was een bloeiend verenigingsleven en een lokale democratie de beste weg om tot maatschappelijke samenhang en solidariteit te komen.
Het idee dat een bloeiend verenigingsleven zowel de staat, de economie als de burger ten goede komt wordt bevestigd door onderzoek van Robert Putnam (1993). Hij onderzocht de prestaties van verschillende regio's in ItaliŽ, die in 1970 een grote autonomie verwierven, en kwam tot de conclusie dat een rijk verenigingsleven de oorzaak was van de betere prestaties van de regio's in het noorden.
Ook vandaag erkennen politieke partijen de waarde van het middenveld en trachten ze mensen te stimuleren tot participatie in het verenigingsleven(T'Sijen, 2005: on line). Deze visie zal ik nu verder uitwerken.

BURGERSCHAP IN DE 21STE EEUW
De gevolgen van de individualisering
"Individualisme heeft een democratische oorsprong en dreigt sterker te worden naarmate sociale omstandigheden meer gelijk worden" (Tocqueville,1840: 125). Deze voorspelling, een toenemende individualisering met als gevolg een verzwakking van het sociaal weefsel, werd realiteit (2001: de Swaan, 32-33). Tocqueville beschrijft individualisering als "een rustig een weloverwogen gevoel dat elke burger ertoe brengt zich te isoleren van zijn medeburgers en zich terug te trekken inde kleine kring van familie van vrienden; in deze kleine samenleving die hij naar eigen smaak heeft samengesteld laat hij de grote maatschappij aan haar lot over." Deze toegenomen individualisering heeft ook zijn weerslag op het middenveld (Huyse, 2003: 329). Mensen engageren zich minder lang, meer afstandelijk en vrijblijvend in verenigingen, waardoor de waarde van het middenveld als middel tot integratie van mensen in de samenleving en de politiek wereld vermindert .
De verzwakking van het sociaal weefsel was voor Tocqueville echter geen reden om voor een sterkere staat te pleiten (Fennema, 2001: 102-104). Hoe meer overheidsinterventie, hoe minder burgers zich onderling verenigen en initiatieven nemen, waardoor de sociale en economische afhankelijk van de burgers ten opzichte van de staat toeneemt. In het laatste deel van deze lectuuropdracht gaan we op zoek naar een manier om het middenveld nieuw leven in te blazen.

Burgerschap via drie kanalen
De gewijzigde context, waarbij we naast de individualisering de politieke schaalvergroting niet mogen negeren, vraagt om een nieuwe invulling van burgerschap. De zone tussen de burger en de politiek is aan vernieuwing toe, waarbij de school, de media en de lokale gemeenschap een belangrijke rol kunnen spelen (Huyse, 2003: 332).

De school speelt een omvangrijke rol in de vorming van jonge mensen tot volwaardige burgers. Maar over de manier waarop ze deze rol moet invullen heerst discussie. Is burgerschap een kwestie van doceren of tonen (Pring, 2001;Huyse, 2003:332)? Moet er een aanvullend lessenpakket komen waarmee jongeren inzicht krijgen in het democratisch kader en politieke en sociale vaardigheden ontwikkelen, of is het vooral belangrijk om te leren omgaan met sociale spelregels en voor zijn mening te leren uitkomen?
Daarnaast heeft onderzoek uitgewezen dat de manier waarop jongeren aankijken tegen politieke meningsverschillen en conflicten van cruciaal belang is (Gimpel, Lay en Schuknecht, 2003: 166). Indien zij begrijpen dat discussie een essentieel onderdeel is van democratie, ontwikkelen zij een positievere houding ten opzichte van de overheid en zijn ze meer geneigd tot politieke participatie. Deze bevindingen wijzen op het belang om jongeren vertrouwd te maken met de werking van de democratische instellingen.

De media spelen een belangrijke rol in het creŽren van een actieve burgerschapscultuur (Brunson, 2001: 74-81). Zij kunnen politieke discussie en participatie stimuleren door meer aandacht te besteden aan politieke berichtgeving, wat zij de laatste jaren in toenemende mate doen. Daarnaast is het essentieel dat zij voldoende achtergrondinformatie aanbieden, zodat burgers de mogelijkheid hebben zich in bepaalde kwesties te verdiepen en tot een beter inzicht kunnen komen. Het Internet biedt op dit vlak enorme mogelijkheden.

Burgerschap groeit uit het lokale gemeenschapsleven (Tam, 2001: 123-132). De huidige situatie is echter dat lokale overheden vooral bevelen van de centrale overheid opvolgen en over weinig macht beschikken, wat de interesse van burgers om zich lokaal te engageren vermindert. De centrale overheid legt richtlijnen en budgettaire beperkingen op aan lokale overheden, waardoor zij niet in staat zijn op lokale belangen in te spelen. Een duidelijkere bevoegdheidsverdeling, waarbij men lokale besturen op bepaalde gebieden meer vrijheid laat, kan een grote stimulans vormen voor lokale participatie. Een krachtig lokaal bestuur dient volgens Tam beter de belangen van de burgers dan populaire vormen van directe democratie.

CONCLUSIE
Ik heb vastgesteld dat er sprake is van een kloof tussen de burger en de politiek, waarna de zoektocht startte naar middelen om deze relatie te herstellen. De doelstelling hierbij was de participatie van de burgers in het beleid te verhogen, waarbij het concept burgerschap centraal stond. Vandaag dienen zich twee alternatieven op om mensen te betrekken bij de vorming van de samenleving, directe democratie en participatie in het middenveld, waarbij ik mij heb verdiept in de bijdrage die een bloeiend verenigingsleven kan leveren aan de democratie en hoe men deze vorm van participatie in de hedendaagse context kan stimuleren.

BIBLIOGRAFIE
ALIBHAI-BROWN, Y. (2001), "After Multiculturalism", in The Political Quarterly. Citizens, Towards a Citizenship Culture, 72, 4: 47-57

BRUNSON, M.(2001), "The Media", in The Political Quarterly. Citizens, Towards a Citizenship Culture, 72, 4: 74-81

BULMER, M. en REES, A.M. (1996), "Conclusion: citizenship in the twenty-first century", 269-283 in BULMER, M.,REES, A.M. (eds.), Citizenship today, the contemporary relevance of T.H. Marshall, Londen: UCL Press Limited, 306 p.

DALTON, R.J. (1988), Citizen Politics in Western Democracies, Public Opinion and Political Parties in the United States, Great Britain, West Germany, and France, New Jersey: Chatham House Publishers, Inc., 270 p.

DE SWAAN, A.(1996-2001), De mensenmaatschappij, Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 160 p.

DOBBELAERE, B. (2005), "Vlaams Belang krijgt een tikje, vertrouwen in federale regering op historisch dieptepunt" in De Standaard, 21.03.2005

DOORNAERT, M. en VANPETEGHEM, B.(2005), "Spanje eerste horde voor Europese grondwet", in De Standaard, 19-02-05

FENNEMA, M.(2003), De moderne democratie. Geschiedenis van een politieke theorie, Amsterdam: Het Spinhuis, 308 p.

FUCHS, D. en KLINGEMANN, H. (1995), "Citizens and the State: A Relationship Transformed", 419-444 in FUCHS, D. en KLINGEMANN, H. (eds.), Citizens and the State, United States: Oxford University Press, 465 p.

GIDDENS, A.(1996), "T.H. Marshall, the state and democracy", 65-80 in BULMER, M.,REES, A.M. (eds.), Citizenship today, the contemporary relevance of T.H. Marshall, Londen: UCL Press Limited, 306 p.

GIMPEL, J.G.; LAY, J.C. en SCHUKNECHT, J.E.(2003), Cultivating Democracy, Washington D.C.: Brookings Institution Press, 278 p.

HUYSE, L. (2003), Over politiek, Leuven: Uigeverij Van Halewyck, 437 p.

LINCOLN, A. (1863), Gettysburg Address, (on line) http:// www.burgerschapskunde.nl/address.html, gelezen op 21-3-2005

MARSHALL, T.H.(1950),"Citizenship and Social Class", Londen: Cambridge University Press

MATSUSAKA, J.G. en LUPIA, A.(2004), "Direct democracy: New Approaches to Old Questions" in Annual Review of Political Science, Vol. 7: 463-482

N.(1992), "Beginselverklaring, goedgekeurd op het stichtingscongres van 15 november 1992",(on line), http://www.vld.be/uploads/Beginselverklaring.pdf, gelezen op 23-03-05

NEWBY, H. (1996), "Citizenship in a green world: global commons and human stewardship", 209-221 in BULMER, M.,REES, A.M. (eds.), Citizenship today, the contemporary relevance of T.H. Marshall, Londen: UCL Press Limited, 306 p.

NORRIS, P.(2000), "Global Governance and Cosmopolitan Citizens", 155-177 in NYE, J.S. en DONAHUE, J.D.(eds.), Governance in a Globalizing World, Washington, D.C.: Brookings Institution Press, 386 p.

PRING, R.(2001), "Citizenship and Schools" in The Political Quarterly. Citizens, Towards a Citizenship Culture, 72, 4: 81-89

PUTNAM, R.D. (1993), Making democracy work. Civic traditions in modern Italy, New Jersey: Princeton University Press, 247 p. ROUSSEAU, J. (1947), "The social contract", New York: Hafner Press, 302 p.

TAM, H. (2001), "The Community Roots of Citizenship" in The Political Quarterly. Citizens, Towards a Citizenship Culture, 72, 4: 47-57

TARR, G.A.(2002), For the people : direct democracy in the state constitutional tradition, on line, http:// www.iandrinstitute.org/Studies.htm, gelezen op 14-03-05

TOCQUEVILLE, A. de (1840, 1981), De la dťmocratie en Amťrique, Vol II, Parijs, 416 p.

T'SIJEN, K.(2005), Maatschappelijke participatie van kansarmen bevorderen, (on line), http://www.politics.be/modules.php?op=modload&name=News&file=article&sid=8184, gelezen op 24-03-05

ULERI, P.V.(2002), "On referendum voting in Italy: YES, NO or NON-VOTE? How Italian parties learned to control the referendum, in European Journal of Political Research, 5, 4: 863-883

VERHOFSTADT, G.(2002), "De vierde golf. Een liberaal project voor de nieuwe eeuw", Antwerpen: Uitgeverij Houtekiet, 69 p.

WAGNER, A. (2004), "Redefining citizenship for the 21st century: from the National Welfare State to the UN Global Compact", in International Journal of Social Welfare, 1, 13: 278-286

WALGRAVE, S.(2000), Actuele Politieke Problemen van BelgiŽ, Antwerpen: Acco, 97 p.

Redactie: Bert Fraussen

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons