Tekst vergroten Tekst verkleinen

Advertentie

De Vlaamse ontvoogding na Wereldoorlog II

Wanneer je dagelijks de beelden ziet van nationalistische oorlogen, dan vraag je je af hoe het komt dat in BelgiŽ wel twee volkeren vreedzaam samen kunnen leven. Is het nationalisme hier dan niet zo sterk? Hoe was de verhouding vroeger tussen Vlamingen en Walen? Heeft Vlaanderen autonomie op bepaalde gebieden?
Op deze vragen probeert Politics.be u in dit dossier een antwoord te geven. Het dossier is chronologisch opgebouwd zodat de evolutie duidelijk zichtbaar is.

Het is natuurlijk onmogelijk om volledig te zijn. Daarom werd dit dossier beperkt tot de politieke verhoudingen tussen Vlaanderen en WalloniŽ en de taalsituatie in BelgiŽ. Dit dossier is opgedeeld in 2 grote delen. Het eerste deel beschrijft de periode van 1950 tot 1970 waarin voornamelijk het tot stand komen van de taalgrens en de taalwetten worden belicht. In het tweede deel kijken we naar de federalisering van BelgiŽ in de periode 1970 - 1993. Besluiten doen we dan met een blik op de toekomst.

1950 - 1970: de uitbouw van een Vlaamse identiteit

1. De taalwetgeving beklemtoonde de Vlaamse identiteit

Het territorialiteitsbeginsel
In een land waar meer dan ťťn taal gesproken wordt, kan men voor het officiŽle taalgebruik diverse oplossingen voorstellen.

  • Allereerst is er de staatstaaltheorie, waardoor de dominante taal aan iedereen wordt opgelegd. In BelgiŽ was een dergelijk systeem achterhaald sinds de taalwetten uit het laatste kwart van de 19de eeuw.
  • Een andere mogelijkheid bestaat erin alle officiŽle diensten de tweetaligheid op te leggen. Deze optie werd in 1932 nog verdedigd door heel wat Vlamingen. De Walen vreesden echter dat grote groepen Vlaamse immigranten zich op de Waalse bodem niet meer zouden aanpassen, waardoor het gevaar opdoemde van Vlaamse taaleilanden op Waalse bodem. Bovendien waren vooral de Vlamingen tweetalig en hierdoor zouden de Vlamingen in de toekomst een voorrangspositie verwerven.
  • De Waalse eis voor het behoud van een taalhomogeen WalloniŽ resulteerde tenslotte in een derde oplossing, namelijk een taalwetgeving op basis van het territorialiteitsbeginsel. Dit beginsel bindt het gebruik van een bepaalde taal aan een bepaald territorium.

De taalgrens werd wettelijk vastgelegd.
Een korte beschrijving van de voorgeschiedenis
In 1921 al werd BelgiŽ opgedeeld in twee eentalige gebieden - Vlaanderen en WalloniŽ -en een tweetalig gebied (Brussel). De taal van het gebied moest voortaan ook de bestuurstaal zijn. Dat leidde in vele Vlaamse gemeenten tot een radicale vernederlandsing. Het territorialiteitsbeginsel, dat in WalloniŽ allang werkelijkheid was, werd in Vlaanderen niet volledig doorgevoerd. De Franstalige minderheid kon op een verregaande bescherming blijven rekenen. De politieke elite van het land erkende dus wel dat Vlaanderen een volwaardige taal en cultuur bezat, maar bleef de Franstalige burgerij in de Vlaamse steden taalrechten waarborgen.

In 1932 werd de taalwetgeving dan toch helemaal geschoeid op het territorialiteitsbeginsel. De regel "streektaal is bestuurstaal" gold voortaan ook in Vlaanderen.

Toch waren er nog problemen. De taalgrens lag nog altijd niet vast. Om de tien jaar kon ze worden aangepast aan de resultaten van de talentellingen. Die aanpassingen gebeurden nagenoeg altijd in het nadeel van de Nederlandstaligen.

Na Wereldoorlog II:
Na de Tweede Wereldoorlog werd het zogenaamde "Harmelcentrum" opgericht, dat de problemen tussen de taalgemeenschappen wou onderzoeken en oplossen. Het centrum werd pas operationeel einde 1950 en op een half jaar tijd wist men in de politieke afdeling van het centrum een akkoord te bereiden.

Het kwam in grote lijnen hierop neer:

  • De talentelling zou worden afgeschaft
  • De taalgrens zou wettelijk vastgelegd worden op basis van de kaart van Crombrugge -Verroken.
  • Hierbij zou gestreefd worden naar homofone gemeenten, kantons, arrondissementen en provincies Dit laatste betekende dat een aantal "verloren" Vlaamse gemeenten uit Waalse provincies zouden worden overgeheveld en vice versa. (bijvoorbeeld: Komen, Voeren,Ö)

Dit akkoord tussen Vlamingen en Walen was klaar medio 1951. Het was een blauwdruk voor een snelle oplossing van de taalproblemen. Het eindrapport van het Harmelcentrum zou pas verschijnen in 1958, maar op dat ogenblik bleef er van de eensgezindheid van het Centrum nog weinig over. De publicatie in 1954 van de vervalste talentellingscijfers had de toestand in het Brusselse randgebied en op de taalgrens alleen maar verder aangescherpt en verziekt. De opeenvolgende ministers van Binnenlandse Zaken werkten wel aan een oplossing voor het taalprobleem, maar er kwam niet veel van in huis.

Het probleem zou bijzonder scherpe vormen aannemen, toen men in 1960 een nieuwe volkstelling, talentelling incluis, wou organiseren. Onder algemeen Vlaams protest werd de telling eerst uitgesteld, nadien afgeschaft. Dit was enkel mogelijk omdat de regering LefŤvre-Spaak intussen een duurzaam statuut in het vooruitzicht stelde. Toen deze Rooms-rode coalitie in 1961 aantrad, kwam er schot in de zaak. In de Commissie van Binnenlandse Zaken maakte men een wetsontwerp dat in overeenstemming was met de besluiten van het Harmelcentrum.

Het belangrijkste struikelblok in de discussie was de streek Komen-Moeskroen. Toen daar werd gekozen voor het overhevelingsprincipe trok men de lijn consequent door en werden de 6 Voergemeenten van de provincie Luik ondergebracht in de provincie Limburg.

Na oneindig veel geharrewar werd het ontwerp op 31 oktober 1962 goedgekeurd met een ruime parlementaire meerderheid.

Brussel en de faciliteitengemeenten
Toen het doek viel over de taalgrenswet, stonden er ook taalontwerpen inzake administratie en onderwijs op stapel. In feite ging het eenvoudig om het verder doortrekken van het principe van regionale eentaligheid en het gebruik van twee talen in de centrale diensten en in Brussel.

Vrij vlug werd alle aandacht toegespitst op de begrenzing van Brussel en het lot van de randgemeenten. LefŤvre stelde voor dat 25 gemeenten het Brussels taalregime zouden krijgen ten einde de Vlaamse aanwezigheid te versterken in een groter Brussel. Dit voorstel stond haaks op het standpunt van sommige francofonen, die nog meer Vlaamse gemeenten wilden opnemen in Brussel-Hoofdstad en haaks op het Vlaamse standpunt dat de "olievlek" al groot genoeg was en er "geen morzel Vlaamse grond" bij Brussel gevoegd mocht worden.

Om uit de impasse te geraken werd het conclaaf van Hertoginnedal georganiseerd. Uiteindelijk kwam er een compromis uit de bus: de 6 Vlaamse randgemeenten werden niet bij Brussel gevoegd. Ze bleven deel uitmaken van het eentalige Vlaamse taalgebied. Op aandringen van de Franstaligen kregen Franstalige inwoners van de 6 randgemeenten bijzondere rechten, de zogenaamde taalfaciliteiten. Die gaven individuele burgers het recht om in een aantal contacten met de overheid, na een schriftelijke aanvraag weliswaar, het Frans te gebruiken.

2. De communautaire partijen zitten in de lift.

Het enorm wetgevend succes van de taalwetten is ondenkbaar als we het niet plaatsen tegenover de massale mobilisatie van de publieke opinie, die in deze periode in Vlaanderen Vlaamser en in WalloniŽ Waalser werd. Naast de traditionele Vlaamse verenigingen oefenden de Vlaamse Volksbeweging en het Vlaams Actiecomitť voor Brussel en taalgrens een grote werfkracht uit op de Vlaamse publieke opinie, wat ondermeer tot uiting kwam in twee opeenvolgende "Marsen op Brussel" (1961 & 1962). In WalloniŽ was het Mouvement Populaire Wallon bijzonder actief. Partijen die inspeelden op de communautaire spanningen, zaten in de lift.

Deze toenemende polarisatie werd bestendigd in de volgende jaren. Een poging om het communautaire kruitvat te ontladen in een Rondetafelconferentie, waarin een grondwetsherziening zou worden voorbereid, mislukte in 1965

3. De "Leuvense Kwestie" werd het kristallisatie- en breekpunt op communautair vlak

De Katholieke Universiteit worstelde met taal- en expansieproblemen
In Leuven bestonden sinds de Tweede Wereldoorlog in feite twee universiteiten, een Franstalige en een Nederlandstalige, allebei volkomen geÔntegreerd onder een unitaire leiding. Met het tot stand komen van de taalwetten waarbij Leuven volledig tot het Nederlands taalgebied zou behoren, rezen er, zowel bij Nederlandstaligen en Franstaligen, vragen over de levensvatbaarheid van een Franstalige universiteit op Nederlandstalige bodem.

Los van de taalproblematiek waren er problemen rond de verwachte universitaire expansie (prognoses wezen op een drastische verhoging van het aantal studenten als gevolg van een grotere democratisering en het groeiend aantal meisjesstudenten). De wet van 9 april 1965 liet de universiteit dan ook toe om faculteiten op te zetten buiten het arrondissement Leuven.

De eigenlijke strijd voor een uitsluitend Vlaamse universiteit
De eerste eigenlijke schermutselingen voor Leuven - Vlaams gaan terug tot 1962 wanneer een aantal Franstalige professoren, die zich verenigd hadden in de Acapsul (Association du Corps Acadťmique et du personnel scientifique de l'Universitť de Louvain) voor Leuven het Brussels taalregime opeisten. Veel Vlaamsgezinden werden ongerust voor een Franstalige olievlek Leuven.

De Vlamingen wilden dat de Franstalige vleugel van de Leuvense universiteit naar WalloniŽ werd overgeheveld. Er ontploften, figuurlijk weliswaar, vier bommen onder de Franstalige universiteit in Leuven, alle vier door de francofonen zelf geplaatst of aangestoken.

De eerste bom
Naar aanleiding van de heibel die ontstond als gevolg van de moeilijkheden tussen Nederlandstalige patiŽnten in het Sint-Pietershospitaal (dat vanouds in handen was van de universiteit) die verzorgd werden door Franstalige artsen, en het algemeen tekort aan ziekenhuisbedden in het Leuvense, oriŽnteerden de Franstalige medici zich vanaf 1962-1963 naar het Brusselse, waar ze in de loop van de volgende jaren hun medische campus Saint-Luc in St.-Lambrechts-Woluwe uitbouwden.

De tweede bom
De Franstaligen hadden een voornemen om Franse kandidaturen in te richten in de streek van Waver om Leuven te ontlasten. Als gevolg van dit voornemen en de medische campus in Woluwe ontstond het beeld dat de Franstalige vleugel van de Leuvense universiteit zich zou uitbreiden inde driehoek Leuven-Waver-Woluwe. In 1965, in een geruchtmakend interview stelde de Franstalige algemeen beheerder M. Woitrin het zo: " ŗ l'ťchťance de 20 ans, le triangle en question est dans le 'Grand-Bruxelles"
Voor de Vlamingen doemde meteen het spookbeeld op van een verfransing van heel Vlaams-Brabant, zodat een algemene mobilisatie tot stand kwam om dit onheil te voorkomen. Meteen trad het probleem Leuven buiten de oevers van de Dijlestad en groeide het uit tot een nationaal politiek probleem.

De derde bom
De derde bom was het Mandement van de Belgische bisschoppen van 13 mei 1966. In een universitaire commissie (Leemans-Aubert), gelast met de voorstudie van de expansie van de universiteit, hadden Vlamingen en Walen zich niet akkoord kunnen verklaren. Als Inrichtende Macht moesten de bisschoppen dus zelf de knoop doorhakken en dus ja of neen zeggen op de Vlaamse eis tot overheveling van de Franstalige vleugel van de universiteit naar WalloniŽ.

De bisschoppen vonden een gulden middenweg die echter alleen door de Franstaligen geapprecieerd werd: een spreiding van de kandidaturen, Franstalige en Nederlandstalige werd in het vooruitzicht gesteld, gekoppeld aan een institutionele, functionele en geografische eenheid van de Leuvense universiteit. De Vlaamse reactie hierop was overweldigend: zwarte vlaggen, herrie in de universitaire lokalen, straatbetogingen, protest van professoren, zware kritiek in de Vlaamse pers,Ö

In de politieke wereld beet de fractieleider van de Vlaamse C.V.P.-kamerleden, Jan Verroken de spits af. Op 17 mei 1966 diende hij een wetsvoorstel in, waarbij de bepalingen van de onderwijstaalwet van 1963 werden doorgetrokken naar het Hoger Onderwijs, wat meteen de overheveling impliceerde van de Franstalige universiteit naar WalloniŽ. Zijn voorstel werd niet in overweging genomen maar zorgde voor een communautaire scheidingslijn die doorheen de Kamer van Volksvertegenwoordigers liep: met uitzondering van de Liberalen, bij wie de unitaire reflex doorwoog, stonden Vlamingen en Franstaligen in twee kampen tegenover elkaar.

Het CoŲrdinatiecomitť Taalregeling Hoger Onderwijs
In de zomer van 1966 werd het CoŲrdinatiecomitť Hoger Onderwijs opgericht door het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen. M. van Haegendoren werd er de voorzitter van. Behalve de bij het Overlegcentrum aangesloten verenigingen werkten ook de studenten, de Vereniging van Vlaamse Professoren en de Leuvense Organisatie van assistenten en Navorsers mee. Dit comitť wou een algemeen Vlaams platform realiseren. Het comitť onderging ook een naamsverandering nl. het 5 november-comitť met het oog op een massale betoging op 5 november 1967 te Antwerpen. De belangrijke eisen van het comitť waren:

  • De Franstalige afdeling van de universiteit van Leuven moet zich in WalloniŽ vestigen, de Nederlandstalige afdeling moet een autonome universiteit worden.
  • De Brusselse universiteit wordt gesplitst in twee volwaardige afdelingen.
  • De toepassing van de taalwetten moet gegarandeerd worden.
  • De Brusselse olievlek moet beperkt blijven tot de 19 gemeenten.
  • In Brussel moet een volledig Nederlandstalig onderwijsnet uitgebouwd worden.
  • Er moet nu eindelijk komaf worden gemaakt met het speciaal statuut voor Brussel.

Hun belangrijkste acties waren:

  • de Meredith-mars van Oostende naar Leuven, met meeting onderweg
  • De 5 november-betoging in Antwerpen Het colloquium op 22 april

De vierde bom
De vierde en laatste bom ontplofte begin 1968. Op 14 januari 1968 maakte de Franstalige Academische raad een groot expansieplan te Leuven bekend, waarin het behoud van de vestigingen in Woluwe en Waver en het behoud van de volledige universiteit in Leuven geŽist werd. Het gevolg hiervan was een Vlaamse revolte, die de polarisatie rond Leuven op haar hoogtepunt bracht. De Vlaamse studenten en professoren gingen in staking. Leuven werd gedurende enkele weken een bezette stad. De confrontatie tussen studenten en rijkswacht nam soms prerevolutionaire vormen aan. Gentse studenten en middelbare scholieren ondersteunden de actie. Heel Vlaanderen reageerde als een bewust geworden gemeenschap.

Op 2 februari 1968 bestempelde de Brugse bisschop, Mgr. De Smedt, het mandement van 13 mei 1966 als een vergissing. Op 4 en 5 februari bevestigden de andere Vlaamse bisschoppen dat het mandement voorbijgestreefd was. Er was dus een breuk in het front van de Belgische bisschoppen.

De regering V.D.B. struikelde over de kwestie Leuven
De bal lag nu in het kamp van de politici. Op 6 februari interpelleerde C.V.P.-fractieleider Verroken in de Kamer. Zijn bedoeling om te demonstreren dat er een parlementaire meerderheid bestond voor de overheveling mislukte door het tactische spel van B.S.P-fractieleider J. Van den Eynde. Premier Van Den Boeynants kon met zijn antwoord op de interpellatie de Vlaamse C.V.P.-ministers niet overtuigen en hij bood het ontslag aan van de regering.

De splitsing werd een feit.
In de periode na de verkiezingen van 31 maart 1968 werd het voor de Franstaligen in Leuven en elders duidelijk dat de overheveling onafwendbaar was geworden. Dank zij de miljardenstroom van de tweede universitaire expansiewet zou ze progressief plaatsvinden vanaf 1972 op de nieuwe campus van Louvain-la-Neuve. Sinds 1970 hadden de Katholieke Universiteit Leuven en de Universitť Catholique de Louvain eigen rechtspersoonlijkheid verworven, zoals ook voortaan de Universitť Libre de Bruxelles en de Vrije Universiteit Brussel elk hun eigen weg gingen.

Dat het zwaar geladen communautair dossier ook nadien de politieke wereld zou blijven beheersen, lag in de lijn van de verwachtingen. Iedereen begon te voelen dat het land behoefte had aan een zekere vorm van regionalisering, ook al omdat zich binnen de unitaire partijen middelpuntvliedende krachten begonnen af te tekenen.

1970 - 1993: Het zelfstandige Vlaanderen krijgt vorm en gestalte




1. De federalisering van de traditionele partijen.

Hoe diep de Leuvense splijtzwam zich ingevreten had, bleek duidelijk uit de verkiezingsstrijd van 1968. De zogenaamde traditionele parijen werden de dupe van een Vlaamsere reflex in Vlaanderen, waar de Volksunie triomfeerde, en van een Waals imago in WalloniŽ. C.V.P. en P.S.C. gingen inmiddels hun eigen weg. Het leedvermaak bij de socialisten en liberalen om de scheuring bij de christendemocraten was evenwel van korte duur, want dit proces zette zich in de volgende jaren hardnekkig door, zodat in 1978 geen enkele partij meer onder een nationaal etiket opkwam. De grondwetsherziening van 1970 gaf hierbij de beslissende stoot.

2. De verkaveling van het politieke landschap.

De inwilliging van een aantal Vlaamse basiseisen bij de grondwetsherziening en het aantreden van Wilfried Martens bij de CVP veroorzaakten bij de Volksunie eerst een stagnatie en later zelfs een terugval.

Bij de medeondertekening van het Egmontpact (1977) scheurde een radicale vleugel onder leiding van Karel Dillen zich af en deze groep evolueerde tot het latere Vlaams Blok, dat zich onomwonden uitsprak voor separatisme tussen Vlaanderen en WalloniŽ.

Als reactie op de toenemende milieuproblemen ontstond er nog een groene partij nl. Agalev. (anders gaan leven) Het politieke landschap bood zo een sterk versnipperde aanblik.

3. De staatshervorming

De grondwetshervorming van 1970 - 1971
Op 17 juni 1968 kwam dan de regering Eyskens - Merlot. Deze heeft de grondwetsherziening doorgevoerd. Zij gaf de Belgische Staat een enigszins ander uitzicht. Het communautaire vraagstuk werd door deze grondwetsherziening, en enkele gewone wetten, in grote lijnen als volgt geregeld.

  • In art. 3bis van de grondwet wordt vastgelegd dat BelgiŽ uit vier taalgebieden bestaat: het Nederlandstalige, het Franstalige, het Duitstalige en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
  • Oprichting van de Brusselse agglomeratie. In de agglomeratieraad en -college werd pariteit (= numerieke gelijke vertegenwoordiging van betrokken partijen in overleg- of bestuursorganen) tussen Nederlands- en Franstaligen voorzien.
  • Culturele autonomie: Art. 3ter van de grondwet bepaalt dat BelgiŽ 3 cultuurgemeenschappen bevat: de Nederlandse, de Franse en de Duitse. Dit wordt verder uitgewerkt wat betreft de Nederlandse en Franse cultuurgemeenschap. Zij hebben ieder een eigen cultuurraad die bevoegd is op het vlak van cultuur en taal. Het onderwijs blijft echter hoofdzakelijk een nationale materie. De financiŽn van de cultuurraden waren in handen van de nationale regering. Zij verdeelde het beschikbare budget via een ingewikkeld dotatiestelsel.
  • In uitvoering van art. 59bis van de grondwet werd BelgiŽ opgedeeld in drie gewesten: Vlaanderen, WalloniŽ en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze gewesten kregen echter voorlopig geen eigen fiscaliteit en ze hadden alleen een beperkte autonomie op sociaal-economisch gebied.
  • Pariteit in de ministerraad.

Het Egmontakkoord (1977 - 1978)

De oliecrisis van 1973 luidde een algemene economische terugval met stijgende werkloosheid in, het tekort op de staatsbegroting nam verontrustende afmetingen aan en het gehakketak rond de grondwetshervorming va n '70-'71 - waarbij weliswaar gewesten werden opgericht maar deze geen functie kregen - joeg de communautaire koorts weer de hoogte in.

Premier Leo Tindemans wou definitief uit de communautaire impasse raken en FDF en VU gingen op zijn uitnodiging tot regeringsdeelname in.

De uitgedokterde oplossing - het Egmontakkoord - voorzag in de uitbreiding van de cultuurautonomie tot de zgn. persoonsgebonden materies van de gemeenschappen en de omvorming van de Cultuurraden in Gemeenschapsraden; de verwezenlijking van de gewesten door de oprichting van drie Gewestraden die, evenals de Gemeenschapsraden, eigen uitvoerende organen zouden krijgen; de herziening van het tweekamerstelsel; de afschaffing van de provincieraden.

Het Egmontakkoord vertoonde echter een gevaarlijke angel waardoor de Vlaamse Beweging zich meteen gestoken voelde. De steen des aanstoots was het zogenaamde inschrijvingsrecht dat aan Franstalige immigranten in de Vlaamse randgemeenten rond Brussel het recht verschafte om onder meer hun stemverplichtingen in een van de 19 gemeenten van de Brusselse agglomeratie te vervullen. Vlaamse kringen vertaalden dit als een recht om zich niet aan te passen aan het Nederlandstalige karakter van de randgemeenten. Een ware anti-Egmonthetze laaide op, die leidde tot het ontslag van Tindemans, waardoor de hele opzet in duigen viel.

Van de Vlaamse politieke partijen bleef vooral de Volksunie onder voorzitterschap van Hugo Schiltz - met een kater zitten. Hoewel de partij met de slogan "Gedaan met geven en toegeven" electoraal behoorlijk had gescoord, had ze nu de handtekening gezet onder een akkoord waarvan de tegenstanders beweerden dat het belangrijke Vlaamse toegevingen bevatte.

De grondwetsherziening van 1980 - 1981
Het uitblijven van een duurzame communautaire oplossing bleef de Belgische politiek hypothekeren. Begin augustus 1980 werd een beperkte staatshervorming doorgevoerd onder leiding van Wilfried Martens, die in 1979 premier geworden was. Deze beperkte staatshervorming nam slecht enkele elementen uit het Egmontakkoord over:

  • De Gemeenschappen, de vroegere Cultuurraden, werden bevoegd voor de culturele en persoonsgebonden materies, zoals o.a. ge gezondheidszorg. Hun wetgevende bevoegdheid oefenden zij uit vanuit de Gemeenschapsraad.
  • De Gewesten hadden de plaatsgebonden materies onder hun bevoegdheid, zoals o.a. ruimtelijke ordening, milieu en huisvesting en zij oefenden hun wetgevende bevoegdheid uit vanuit de Gewestraad.

Vlaanderen liet beide Raden in elkaar opgaan onder de naam Vlaamse Raad, met als uitvoerend orgaan de Vlaamse Deelregering of Executieve.

Aan Franstalige kant bleven gemeenschap en gewest gescheiden met een aparte raad en een apart uitvoerend orgaan. In afwachting van een nieuw statuut voor Brussel en het randgebied, werd Brussel niet erkend als een volwaardig derde gewest. Het gewestelijke uitvoerende orgaan van Brussel bleef deel uitmaken van de nationale regering.

De Duitstaligen kregen een eigen gemeenschapsraad, maar bleven deel uitmaken van het Waals Gewest.

De financiŽle autonomie van deze instellingen was beperkt doordat de grootste bron van inkomsten de dotaties waren van de nationale regering en amper iets meer dan zeven procent van de nationale begroting ging naar de deelgebieden. Alleen de nationale regering mocht belastingen innen.

Bovendien werden de deelraden niet rechtstreeks verkozen en waren de vertegenwoordigers van deze raden dikwijls de zelfde als die van het nationaal parlement. Het ongenoegen over deze staatshervorming was groot.

De regering Martens-Verhofstadt viel over een communautaire zaak
De katholiek-liberale regering Martens-Verhofstadt (1985-1987) hield zich niet met de staatshervorming bezig, maar werkte aan een liberaal geÔnspireerd saneringsbeleid. Toch zou ook zij vallen over een communautair dossier dat een nieuw hoogtepunt had bereikt: Voeren. De Franstaligen wilden een tweetalig statuut voor deze kleine Vlaamse faciliteitengemeente (4200 inwoners), die door de taalwetgeving van Luik naar Limburg was overgeheveld. De Vlamingen wilden geen wijziging van de wettelijk vastgelegde taalgrens en aanvaardden geen benoeming van een Nederlandsonkundige burgemeester.

De grondwetsherziening van 1988 - 1989
De hoop van Martens dat met de staatshervorming van '80 - '81 de communautaire problemen definitief van de baan waren, bleek ijdel. De uitbreiding van de bevoegdheden voor beide Gemeenschappen ging niet ver genoeg en vooral de financiering beantwoordde niet aan de verwachtingen.

Tijdens zijn achtste regeringstermijn zette Martens een volgende grondwetsherziening op touw, die in drie fasen zou verlopen. BelgiŽ zou een federaal land worden.

De eerste fase
In een eerste fase werden de bevoegdheden van de Gewesten en Gemeenschappen fors vergroot (onderwijs, economie, energie, leefmilieu, werkgelegenheid, openbare werken,Ö)

De tweede fase
In de tweede fase werd de financiering geregeld. De instellingen van de deelgebieden konden putten uit fiscale ontvangsten, door de hogere overheid toegewezen belastingen, eigen belastingen en leningen.
Brussel werd nu ook een volwaardig gewest met eigen politieke instellingen en bevoegdheden.
Het Arbitragehof werd uitgebouwd tot een volwaardig grondwettelijk hof.

De derde fase wordt voorlopig niet uitgevoerd
De derde fase beoogde onder andere de hervorming van de senaat en de afschaffing van het dubbele mandaat (door de rechtstreekse verkiezing van de deelraden). Deze derde fase werd op de lange baan geschoven. Kamer en Senaat maakten moeilijkheden rond de hervorming van de eigen instellingen, maar vooral de eisen voor stemrecht voor Franstaligen in de rand rond Brussel en een oplossing voor Happart en Voeren bleken onoverkomelijk. Uiteindelijk struikelde de regering in sept. 1991, in volle Golfcrisis, over het alweer communautair geladen dossier van wapenleveringen

De derde fase komt er in 1993
De verkiezingen van 24 november 1991 weren een afstraffing voor de regeringspartijen. De zogenaamde protestpartijen zoals het Vlaams Blok en Rossem behaalden een overwinning. De Rooms-rode coalitie werd echter verder gezet onder leiding van Jean Luc Dehaene.

In januari 1992 ondertekenden VU en PVV een communautair tienpuntenprogramma. SP en CVP sloten zich nadien hierbij aan. De Vlaamse Raad keurde dit eisenpakket goed. Hierdoor werd duidelijk dat de tijd nu wel rijp was voor de afwerking van de derde fase. Hiervoor werd "een dialoog van gemeenschap tot gemeenschap" georganiseerd in het parlement.

Toen de dialoog op de valreep mislukte, trok de Belgische CVP-SP-regering de zaak naar zich toe. Dit resulteerde, in de nacht van 27 op 28 september 1992, in het zogenaamde St.-Michielsakkoord. Het akkoord hield onder andere de afschaffing van het dubbelmandaat in. Voortaan word het Vlaamse en Waals Parlement rechtstreeks verkozen en bevolkt met verkozenen die niet in het Nationaal Parlement zetelen.

De bevoegdheid van de Senaat wordt beperkt en gaat zich vooral bezighouden met belangenconflicten tussen de deelgebieden.

Aan artikel 1 van de Grondwet die in werking trad op 15 mei 1993 wordt toegevoegd dat BelgiŽ een federaal land is. Daarmee werd Vlaanderen erkend als een volwaardige deelstaat in een federaal georganiseerd land. Op 1 januari 1995 wordt de provincie Brabant gesplitst in Vlaams-Brabant en Waals-Brabant.

Besluit

De groei naar meer autonomie voor Vlaanderen was dus een strijd van lange duur, een strijd die begon met het wettelijk vastleggen van de taalgrens. Toch zijn niet alle problemen van de baan met de jongste staatshervorming: zo wil sommige Vlamingen nog meer autonomie bijv. op vlak van de sociale zekerheid. De Walen daarentegen willen geen verdere federalisering van BelgiŽ. En met Europa dat een grotere rol begint te spelen, zijn er ook andere problemen in zicht. Zo is er de strijd voor het behoud van de eigen taal en cultuur, ditmaal tegen de vloedgolf van verengelsing, mede in de hand gewerkt door de toevloed aan anderstalige Eurocraten in en rond Brussel. Ook het probleem i.v.m. de interpretatie van de wet op faciliteiten gemeenten, kan in de toekomst nog voor problemen zorgen. Vlaanderen staat economisch ook sterker dan WalloniŽ, en ook dat zal in de toekomt nog strubbelingen met zich mee kunnen brengen.

Bibliografie

  • De Vos, S., Dumon, G., Suykens, M., Van Steenvoort, M., Zwart en geelÖ en een beetje rood. Uitgeverij Infodok, Leuven, 1979.
  • Van Istendael, G., Het Belgisch labyrint of De schoonheid der wanstaltigheid. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 1989.
  • Van Haegendoren M., Van taalstrijd tot staatshervorming. Davidsfonds, Leuven, 1983.
  • Beelen S., De Poorter, L., Haeyaert, P., Vandenbroeke, C., Geschiedenis van de Vlaamse ontvoogding. Uitgeverij MIM, Deurne, 1993.
  • Brochure: Als goede buren - Vlaanderen en de taalwetgeving. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (dienst Kanselarij en Voorlichting), 1998, Brussel
  • Internetsite: http://www.belgium.be/

Redactie: Frederik Misplon

ZoekenMeer info

Het Weer

Recensies

Nieuws

Cartoons